Cramer doet te weinig aan energiebesparing

De kille cijfers spreken voor zich: er wordt in Nederland steeds minder bespaard.

Terwijl het wel kan. Voer bijvoorbeeld emissierechten voor consumenten in.

Het gaat niet goed met de energiebesparing. Al mag de bonte staalkaart van besparingsprogramma’s anders doen vermoeden, de kille cijfers spreken voor zich. Het programma van minister Cramer (Milieu, PvdA), Schoon en Zuinig, streeft naar 2 procent energiebesparing per jaar vanaf 2011. Dat haalt ze absoluut niet. De meeste sectoren halen niet of nauwelijks de 1 procent. Alleen de land- en tuinbouw komt boven de 2 procent, dankzij de glastuinbouw met zijn warmtekrachtcentrales. De vervoerssector bungelt onderaan met 0,1 procent besparing. Maar ook huishoudens staan al jaren stil op 1,2 procent.

Verontrustend is dat vanaf 1998 eerder een dalende dan een stijgende trend bestaat. Nemen we 2000 als beginjaar, dan komt de gemiddelde besparing nauwelijks boven de 0,6 procent per jaar uit. Hoe komt het dat Nederland steeds minder bespaart?

Je zou verwachten dat de overheid dit wel zou weten, maar degelijke onderzoeken zijn tot nu toe niet gedaan. Op voorhand zijn echter wel enkele oorzaken aan te geven. Een eerste vermoeden is dat de afnemende besparing te maken heeft met onbedoelde effecten van het beleid zelf. Naarmate besparing in een sector meer succes heeft, kost verdere besparing meer inspanning. Bovendien gaat een deel van de besparingen op aan compenserende maatregelen: goed geïsoleerde gebouwen moeten nu continu mechanisch geventileerd worden. Een derde onwelkom effect van het besparingsbeleid is dat activiteiten waarop bespaard is, goedkoper worden en daardoor in omvang toenemen (zuinige auto’s rijden verder voor dezelfde prijs, spaarlampen blijven ’s nachts branden).

Energiebesparing is dezelfde activiteiten verrichten met minder energie. Maar met welke energie? Een economie die geheel draait op duurzame energie hoeft in principe geen energie te besparen. Als energiebesparing zou inhouden: hetzelfde doen met minder fossiele energie, dan kan snelle overschakeling naar duurzame bronnen een aanzienlijke verlichting geven van de anders nodige besparingsinspanning. Maar een beleid dat blijft inzetten op fossiel (kolen) laat deze bonus liggen en vertrouwt volledig op ongewisse technieken als CO2-opslag.

Veel gaat mis in de uitvoering van het besparingsbeleid. Neem de bouwsector. De in 1996 ingevoerde energieprestatienorm moest ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen minder energie nodig hadden. Een onderzoek uit 2004 in 40 kantoren rapporteert dat de gerealiseerde besparing veel lager is, met afwijkingen tot 40 procent. Vaak worden alsnog koelinstallaties aangebracht of de ventilatie opgevoerd. Ook in woningen zijn er vaak ventilatieproblemen.

De overheid is modieus en onbetrouwbaar in zijn programma’s en maatregelen. In de loop van de jaren is het een komen en gaan geweest van allerlei stimuleringsregelingen die op willekeurige momenten aan en uit gaan. Rijksoverheid, provincies en gemeenten voeren elk op hun eigen wijze een besparingsbeleid. De ene gemeente omhelst een tijdje een bus op gas, de ander op waterstof en de derde op elektriciteit. Gemeenten gaan via vuilverbranding zelf stroom opwekken en concurreren hierdoor met gewone elektriciteitcentrales die een hoger rendement hebben.

Wat zou de overheid wél moeten doen? In april 2009 was het stroomverbruik in de EU 10 procent minder dan in april 2008. Wat jarenlang besparingsbeleid niet vermocht, heeft de kredietcrisis in één klap bereikt.

Vermindering van energiegebruik in economisch minder roerige tijden kan worden gestimuleerd door drastische verhoging van de (fossiele) energieprijzen. Maar daarnaast zijn maatregelen nodig die het gebruik per sector afremmen, zoals de kilometerheffing en het heffen van emissierechten – ook voor consumenten. Laat ook huishoudens emissierechten kopen voor de energie die ze verbruiken, dat dwingt tot keuzes maken. Ook de waardering van innovatie moet veranderen. Innovatie wordt nu als de motor van economische groei gezien en welvaartsverhogend. Maar veel innovaties verhogen ook het elektriciteitsverbruik: veel apparaten ter verhoging van gemak, comfort en vermaak zijn ware stroomslurpers. En er is al te veel lichamelijke arbeid vervangen door elektrische apparaten en machines: roltrappen, liften, wasdrogers, vaak tot schade van de gezondheid. Het elektrificeren van het fietsen is dan ook het laatste wat moet worden toegejuicht.

Welke innovaties zijn wel gewenst? Stem het vermogen van apparaten af op het gebruik. Pc’s zijn voor de meeste gebruikers zwaar overgedimensioneerd en verspillen daardoor veel stroom. Schep technische mogelijkheden die besparend gedrag ondersteunen. Fabrikanten moeten worden verplicht om op alle apparatuur een bereikbaar aan- en uitknopje aan te brengen, zonder dat de instellingen verloren gaan. Nu kunnen consumenten veel apparatuur niet meer uitzetten (ict-kastjes, ventilatie). Ook zou het heel goed zijn om het Britse uitschakelbare wandstopcontact in te voeren. Dan kunnen al die duizenden trafo’s van de halogeenverlichting uit. En als de minister per se iets wil verbieden, laat haar dan de afstandbediening verbieden. Standby staan is dan niet meer nodig.

Jaap Jelsma is adviseur voor klimaat en technologie.