Bevoegdheden te over

Heeft een burgemeester ‘meer bevoegdheden’ nodig om pedoseksuelen na hun straf uit de stad te weren? Burgemeester Van Gijzel (PvdA) van Eindhoven pleitte daar gisteren voor, nadat de bestuursrechter eerder een streep door een ‘stadsverbod’ voor een pedoseksueel had gehaald.

Maar voor meer bevoegdheden is geen aanleiding. De burgemeester heeft er genoeg. Bij dreigende verstoring van de openbare orde heeft de gemeente al lang de macht preventief op te treden en de bewegingsvrijheid van inwoners te beperken. Die dreiging moet dan alleen wel aannemelijk worden gemaakt, om te voorkomen dat een bevoegdheid wordt gebruikt voor andere doelen dan waarvoor die is gegeven.

Dergelijke algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn een hoeksteen van de rechtsstaat. De burgemeester hoort daar pal voor te staan. Want zou een burgemeester de bevoegdheid eisen om naar eigen inzicht gebiedsverboden op te leggen, dan liggen willekeur en machtsmisbruik op de loer. De rechter constateerde gisteren dat burgemeester Van Gijzel er niet in de verste verte in was geslaagd om in dit geval die dreiging aannemelijk te maken. De gemeente had hem „geen enkel stuk” gepresenteerd „in de vorm van gespreksverslagen of anderszins, waaruit [...] vrees voor oproer, geweldpleging en wanordelijkheden kan worden afgeleid”.

Dat is geen gering oordeel. Dat een burgemeester die zo opvallend wordt gecorrigeerd, daarna over gebrek aan bevoegdheden klaagt, is tamelijk ongerijmd. Hem wordt immers het gebrekkig uitvoeren van (bestaande) bevoegdheden verweten. Wie niet met een hamer kan slaan, moet niet om een heimachine vragen. Zijn verweer dat het „niet gebruikelijk” is om dreigingsanalyses te openbaren is evenmin sterk. In uitzonderlijke gevallen kan de rechter immers vertrouwelijk worden ingelicht.

Bestond er eigenlijk wel een concrete dreiging? Of ging het om het forceren van een publiek debat over de terugkeer van gestrafte pedoseksuelen in de samenleving? Dan zagen we niet de burgemeester in actie, maar het oud-Kamerlid dat politiek bedrijft, ten koste van één ex-gedetineerde.

Dat neemt niet weg dat er wel aanleiding is voor reparatiewetgeving. Deze casus in Eindhoven toont aan dat verplicht reclasseringstoezicht op zedendelinquenten met een erkend recidiverisico niet goed werkt. Dat betreft dan in het bijzonder delinquenten die hun straf uitzaten, maar nog in cassatie bij de Hoge Raad zijn. Maatregelen zoals verplicht toezicht, therapie en controle kunnen op een ex-gedetineerde die nog verder procedeert alleen met diens instemming worden uitgevoerd. Het brengt de zedendelinquent die doorprocedeert na vrijlating in een ongewenste onderhandelingspositie. Dat daar iets aan moet gebeuren, ligt voor de hand.

Als Van Gijzel op deze misstand wilde wijzen, heeft hij alle gelijk van de wereld. Laat ernstige zedendelinquenten pas uit de cel nadat hun zaak alle instanties is gepasseerd en de bijkomende beperkende maatregelen kunnen worden uitgevoerd. Zoals van meet af aan door de rechter ook is bedoeld.