Alles lijkt even ver weg en even dichtbij

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: globalisering is minder modern dan het lijkt.

Soms hebben twee nieuwsberichten meer met elkaar te maken dan je in eerste instantie zou denken. Zo werd twee weken geleden bekend dat de Tweede Kamer heeft ingestemd met een verbod op kraken. Bewoning van onroerend goed zonder toestemming van de eigenaar wordt een misdrijf waarop een gevangenisstraf van maximaal een jaar staat. De PVV-fractie hielp het wetsvoorstel van CDA, VVD en de ChristenUnie aan een meerderheid. PVV’er Raymond van Roon noemde de wet „een belangrijke overwinning voor het eigendomsrecht”.

Diezelfde week werd bekend dat fastfoodketen McDonald’s eind dit jaar een filiaal zal openen in de gang van het Louvre in Parijs. Al eerder opende de Amerikaanse koffieketen Starbucks haar deuren bij het museum en nu komt daar dus een hamburgertent bij. De reacties varieerden van teleurgesteld tot geschokt. „Moet een museum een museum zijn, of een pretpark”, vroeg de Wereldfederatie Vrienden van Musea zich af. „De frituurgeur zal onder de neus van Mona Lisa hangen”, schreef de Parijse website Louvre Pour Tous sarcastisch.

Wat hebben deze berichten gemeen? Op het eerste gezicht niet zoveel, maar filosofisch gezien is er toch een verband. Krakers kraken namelijk niet alleen om leegstand te voorkomen (of, als je cynischer bent: om gratis te kunnen wonen). Nee, voor velen ligt er ook een filosofie aan ten grondslag – een filosofie die bekend staat als antiglobalisme. Dat kraken nu wordt verboden én er een McDonald’s in het Louvre komt, is dus een dubbele nederlaag voor krakers.

De term antiglobalisme is wel enigszins misleidend. Antiglobalisten noemen zichzelf meestal liever andersglobalisten, omdat ze niet tegen globalisering an sich zijn, maar tegen een specifieke vorm ervan. In de meest neutrale zin van het woord betekent globalisering immers ‘internationale integratie’: samenlevingen wereldwijd raken steeds meer met elkaar verweven, bijvoorbeeld door het internet of internationale verdragen. Daartegen protesteren andersglobalisten over het algemeen niet.

Andersglobalisten – die in krakerskringen ruim vertegenwoordigd zijn – keren zich vooral tegen bepaalde aspecten van internationale integratie, bijvoorbeeld dat grote (met name Amerikaanse) bedrijven steeds meer economische macht verwerven en de wereld er daardoor steeds meer uit gaat zien als één groot Amerikaans winkelcentrum.

Ironisch genoeg wijten andersglobalisten die ‘McDonaldisering’ van de wereld vooral aan dat eigendomsrecht dat Raymond van Roon zo graag wil beschermen. Volgens hen is dat recht namelijk niet in gevaar, zoals de PVV suggereert, maar juist te ruim: zij die veel bezitten, kunnen hun wil aan de wereld opleggen, luidt de redenatie. Of, anders gezegd: het grootkapitaal bepaalt. Dat er nu, tegen de zin van veel bezoekers in, een McDonald’s in het tweehonderd jaar oude Louvre komt, zal voor krakers een ultiem bewijs daarvan zijn.

Anti- of andersglobalisten vereenzelvigen globalisering dus vooral met economische machtsconcentratie. Daarom kraken ze ook panden waarvan de eigenaar het zich kennelijk kan permitteren om ze leeg te laten staan. De vraag is echter of deze definitie van globalisering wel toereikend is. De term is de afgelopen twintig jaar een heus modewoord geworden: het wordt op zo veel uiteenlopende manieren gebruikt, dat onduidelijk is wat er precies onder moet worden verstaan.

De Amerikaanse politiek filosoof William Scheuerman constateert dat globalisering doorgaans vier verschillende betekenissen heeft. Betekenis één is de eerder genoemde dominantie van de westerse, of Amerikaanse cultuur. Betekenis twee verwijst naar de verspreiding van de liberale vrijemarktideologie en de daarmee samenhangende massaconsumptie.

Betekenis drie duidt op de opkomst van nieuwe communicatietechnologieën, zoals het internet en de mobiele telefoon. En betekenis vier is dat de wereld langzaam maar zeker één grote morele gemeenschap wordt, bijvoorbeeld door de verspreiding van mensenrechten en het instellen van internationale rechtbanken en parlementen.

Maar, zegt Scheuerman, globalisering is fundamenteler dan dat. Massaconsumptie, culturele eenvormigheid, economische machtsconcentratie, grensoverschrijdende wetgeving en nieuwe communicatievormen zijn weliswaar belangrijke onderdelen ervan, maar in de filosofie betekent ‘globalisering’ ook nog iets anders, namelijk: een fundamentele verandering in de beleving van tijd en ruimte. Deze verandering wordt ook wel ‘tijd- en ruimtecompressie’ genoemd: het fenomeen dat afstanden, gemeten in tijd of ruimte, relatief steeds kleiner worden.

In deze zin is globalisering veel minder modern dan het lijkt. Je zou zelfs zover terug kunnen gaan als de geschiedenis van de mensheid zelf, toen de eerste mensen het Afrikaanse continent verlieten en zich elders in de wereld vestigden: ook dat is een vorm van globalisering. Het besef dat afstanden relatief en aan krimp onderhevig zijn, is dan ook al eeuwen oud – onder andere door de snelle verspreiding van religies, de scheepvaart en de astronomie. Wat wij nu ‘ver weg’ noemen, is radicaal anders dan wat mensen, zeg, twee eeuwen geleden als ‘ver weg’ ervoeren.

Dat besef drong in de filosofie echter pas definitief door in de 19de en 20ste eeuw, aangewakkerd door de opkomst van trein, radio, telefoon, telegraaf en later de televisie en de auto. De Duitse denker Martin Heidegger (1889-1976) was de eerste die de effecten van deze uitvindingen theoretisch probeerde te duiden. Hij voorzag dat „de verdwijning van afstand” het wezenskenmerk van de moderne tijd zou worden en dat de begrippen ruimte en tijd, zowel in positieve als negatieve zin, aan betekenis zouden verliezen. Alles zou op den duur „even ver weg en even dichtbij lijken”, aldus Heidegger.

Heidegger karakteriseerde globalisering dus niet zozeer als een economisch, maar vooral als een psychologisch fenomeen – een gemoedstoestand zelfs. Dat is een treffende observatie gebleken. Het verklaart namelijk waarom globalisering vaak heftige emoties opwekt. Sommige mensen ervaren het bij uitstek als iets positiefs: voor hen wordt de wereld kleiner en de kansen om er iets voor te betekenen dus groter. Hoe meer mensen met elkaar in contact staan, des te meer mogelijkheden er zijn voor de uitwisseling van goede ideeën, bruikbare goederen en interessante opvattingen. Voor deze groep is het verdwijnen van afstanden voordelig: het vergroot hun eigen invloedsfeer.

Anderen ervaren globalisering echter precies omgekeerd: voor hen wordt niet de wereld, maar juist hun eigen plek daarin kleiner. Ruimte is immers een relatief begrip. Dat alles in de wereld ‘even ver en even dichtbij’ lijkt, kan dus evengoed het gevoel opwekken dat je eigen invloedssfeer nietiger wordt. Deze mensen zien in het krimpen van afstanden dan ook vooral bedreigingen: er zijn meer mogelijkheden voor de uitwisseling van bezwaarlijke ideeën, gevaarlijke goederen en verkeerde opvattingen. Zij trekken zich daarom terug in wat ze als veilig gebied beschouwen – hun eigen groep, cultuur of land.

Deze houding zou je kunnen vergelijken met wat in de psychologie agorafobie wordt genoemd. Lijders hieraan vrezen bijvoorbeeld open ruimtes, grote groepen en lange reizen. Die angst hangt meestal samen met een gevoel van controleverlies en onveiligheid. Net als in de politiek zoeken zij een safe haven: een plek die veilig en onder controle is. Dat wil niet zeggen dat antiglobalisten allemaal ‘fobisch’ zijn, maar de analogie is niet vergezocht. Tegenwoordig dringt de hele wereld zich, via televisie, krant en internet, onophoudelijk aan ons op tot in de eigen huiskamer. Een gevoel van controleverlies en onveiligheid is dan niet verwonderlijk.

Interessant om op te merken is overigens dat ook dit geen recent verschijnsel is. Net als globalisering zelf, is ook de tweeledige reactie erop al eeuwen oud. Toen de eerste treinen gingen rijden bijvoorbeeld, voorzagen sommigen een prachtige nieuwe wereld. „Het voelt alsof de bomen en bergen van alle landen in de wereld dichterbij zijn gekomen”, schreef de Duitse dichter Heinrich Heine lyrisch. Een Engelse tijdgenoot vreesde echter precies het omgekeerde: dat door de spoorwegen zijn land „ineen zou schrompelen tot één grote stad”.

Ook de opkomst van de radio zaaide, net als het internet nu, grote verdeeldheid. Sommigen beschouwden dit nieuwe medium als een hoogtepunt van menselijke innovatie dat ons in staat stelde om voorheen onbereikbare plekken en mensen te leren kennen. Anderen zagen het juist als een ultieme bron van verderf en onzedelijkheid, die de mensheid uit elkaar zou drijven en tot immoreel gedrag zou inspireren. Het geeft aan hoe fundamenteel het begrip ‘afstand’ voor onze belevingswereld is. Voor de een is het een cruciaal onderdeel van zijn welbevinden, voor de ander is het juist een enorme belemmering.

Zoals een McDonald’s in het Louvre de omgeving voor de één vertrouwder maakt en voor de ander juist wereldvreemd.