Aanslagen treffen ook Maliki

De verkiezingskansen van de Iraakse premier Maliki zijn verkleind door de twee zware aanslagen die Bagdad in augustus en afgelopen zondag hebben getroffen.

Na de provinciale verkiezingen van januari van dit jaar zat de Iraakse premier Nouri al-Maliki hoog te paard. Zijn Staat van het Recht-partijcoalitie, die campagne had gevoerd op een nationalistisch, orde-en-gezag-programma, werd de grote overwinnaar. Verliezer was zijn vroegere bondgenoot, de fundamentalistisch-shi’itische Opperste Islamitische Raad, grootste van het shi’itische partijverbond dat nu nog de regering domineert. De meeste Irakezen wilden, zo bleek ook al uit opiniepeilingen, de veiligheid die Maliki, zelf ook een religieuze shi’iet, beloofde. Ze rekenden af met sektarische partijen zoals de Opperste Islamitische Raad die hun niet alleen geen fysieke zekerheid, maar evenmin schoon water, 24 uur per dag stroom of werk hadden geleverd.

De provinciale verkiezingen waren wat Maliki betreft de generale repetitie voor een grote overwinning in de parlementsverkiezingen, die in januari worden gehouden als het parlement het tijdig over de verkiezingsregels eens wordt. Opnieuw voert hij met een orde-en-gezag-programma campagne met zijn Staat van het Recht. Maar zijn positie is ernstig verzwakt. Eerst door de zware zelfmoordaanslagen die half augustus de ministeries van Financiën en van Buitenlandse Zaken in Bagdad verwoestten en 100 mensen het leven kostten. En afgelopen zondag toen opnieuw zelfmoordterroristen in het zwaar bewaakte centrum van Bagdad doordrongen en het ministerie van Justitie en het gebouw van het provinciaal bestuur opbliezen. Daarbij vielen 155 doden.

Sinds juli zijn er geen Amerikaanse gevechtstroepen meer in de Iraakse steden, in de aanloop naar de terugtrekking van alle Amerikaanse gevechtsmilitairen in augustus 2010. Dat betekent dat de Iraakse veiligheidsdiensten voor de veiligheid moeten zorgen, en Maliki de eindverantwoordelijkheid niet kan ontkennen.

Correspondenten van internationale kranten en persbureaus citeerden de afgelopen dagen talrijke burgers en politici die woedend naar onbekwaamheid van leger en politie en van Maliki wezen. „We hebben een heleboel gepoch gehoord over de successen op het veiligheidsfront”, zei het shi’itische parlementslid Hadi al-Ameri tegen de Saoedische krant Al-Hayat. „Waar zijn die successen?”

De aanslagen van augustus en oktober waren duidelijk bedoeld om Maliki te ondermijnen en de kans op een stabiele regering na de verkiezingen te verkleinen. Wie erachter zit is minder duidelijk.

De dagelijkse bommen die Irak treffen, met maandelijks tussen 300 en 500 doden (nog steeds meer dan Afghanistan waar de eerste helft van dit jaar in totaal 1.000 burgerdoden vielen) zijn voor een deel afrekeningen – terroristen van Al-Qaeda-in-Irak tegen de sunnitische stammilities die zich in 2006 tegen hen keerden, of tegen de politie. Of, vaker nog, aanslagen van sunnitische extremisten op shi’ieten, leden van de door hen als afvallig beschouwde meerderheid, om een nieuwe ronde burgeroorlog uit te lokken of omdat het shi’ieten zijn. Dergelijke aanslagen worden gepleegd op plaatsen die nauwelijks worden bewaakt, op markten, in rouwtenten of in een afgelegen dorp. Soft targets, die geen complexe voorbereidingen vergen.

Maar de twee grote aanslagen in Bagdad zijn van een andere orde. Niet alleen werd in beide gevallen een reusachtige hoeveelheid explosieven gebruikt, maar ook waren de doelen zwaar bewaakt en moesten talrijke controleposten worden gepasseerd voor de daders zich konden opblazen. De gouverneur van de provincie Bagdad, Salah Abdel Razzaq, leverde gisteren scherpe kritiek op de veiligheidsdiensten, die hij van onachtzaamheid en zelfs van samenspanning met de daders beschuldigde. En beide malen spraken de doelen voor zich: ministeries, bij uitstek symbolen van regeringsgezag.

Evenals in augustus wees Maliki de afgelopen dagen beschuldigend naar Al-Qaeda-in-Irak in samenwerking met Ba’athisten, vroegere partijgangers van Saddam Hussein die vanuit Syrië opereren, en werden in een vertoon van daadkracht tientallen verdachten opgepakt. Destijds zond het Iraakse leger een „bekentenis” uit van een sunnitische man die zich identificeerde als hoge Ba’ath-functionaris en zei het brein te zijn van de aanslagen. Volgens hem was de opdrachtgever een Ba’ath-leider in Syrië die het Iraakse bewind wilde destabiliseren. Maar de verdere televisiebekentenissen die werden beloofd, kwamen niet, en Amerikaanse functionarissen uitten twijfel aan het waarheidsgehalte van de officiële mededelingen.

Maliki bevroor de relaties met Syrië, maar anderen, inclusief coalitiepartners, ridiculiseerden zijn beschuldigingen en stelden Iran verantwoordelijk, dat belang zou hebben bij een instabiel Irak. Ook werd Saoedi-Arabië genoemd, dat juist de toenemende invloed van Iran in de Arabische wereld zou willen stuiten. Dit ballet van beschuldigingen wordt ook nu weer uitgevoerd.

Maliki’s shi’itische concurrenten, de Opperste Islamitische Raad en de groep van Muqtada Sadr, die zich voor de verkiezingen hebben verenigd in de Iraakse Nationale Alliantie, verweten Maliki vandaag „zijn verantwoordelijkheden te willen ontlopen door buitenlandse partijen te beschuldigen”. Nu de Staat van het Recht van de premier in zwaar weer is terechtgekomen, zijn de vooruitzichten voor de Alliantie weer verbeterd.

De kans op een nieuwe regering-Maliki is daarmee in twee klappen een stuk kleiner geworden. De shi’itische meerderheid levert de premier, en dat kan opeens weer een fundamentalist van de Nationale Alliantie worden.