Op werkstage naast de inburgeringsles

De inburgering moet veel beter, concludeert de Haagse Rekenkamer in een rapport. Cursusaanbieder Capabel stimuleert werken naast inburgeringsles.

Op het schoolboord staan vragen: ‘Wat is de hoofdstad van Nederland?’ en ‘Hoe heet de minister-president?’ Docent Mohamed Kaouch vraagt: In welke provincie ligt Zwolle? „Overijssel”, antwoordt een cursiste. „Nee, Gelderland”, zegt Kaouch. „Oh, wacht, je hebt gelijk, het is toch Overijssel. Gelderland ligt daaronder.”

Tijdens de inburgeringscursus van het bedrijf Capabel in Den Haag wordt hard gewerkt. De cursisten zijn tevreden, vertellen ze.

Maar van de inburgering in Den Haag in zijn geheel deugt weinig, concludeert de Haagse Rekenkamer in een gisteren verschenen rapport. Volgens het onafhankelijk onderzoeksinstituut van de gemeente Den Haag is de kwaliteit van de cursussen ver onder de maat en is het aantal inburgeraars dat binnen afzienbare tijd het inburgeringsexamen haalt laag. De cursus vergroot de kans op een baan niet of nauwelijks; slechts een handvol inburgeraars vond na het behalen van het diploma werk.

Verantwoordelijk wethouder Rabin Baldewsingh (PvdA) ziet de kritiek van de Rekenkamer vooral als kritiek op de Wet inburgering (sinds 1 januari 2007), die volgens hem gericht is op aantallen cursisten die het inburgeringsexamen moeten halen. Het inburgeringsexamen schrikt vooral mensen af die niet verplicht zijn in te burgeren omdat ze een paspoort hebben uit een EU-land. De inburgering moet meer op kwaliteit en het vinden van werk gericht zijn, vindt Baldewsingh. Dit jaar heeft de gemeente contracten afgesloten met andere cursusaanbieders, waaronder Capabel.

Kokogol Soltani (34) uit Afghanistan is een van de cursisten en heeft ‘praktijkles’: de groep oefent het openen van een bankrekening. Binnenkort gaan ze naar een echte bank toe. Soltani woont negen jaar in Nederland, maar begon pas dit jaar met de cursus. Eerder wist ze niet zeker of ze in Nederland mocht blijven. Soltani loopt twee dagen in de week stage bij een kringloopwinkel.

Capabel stimuleert het werk naast de lessen. „We willen dat mensen deelnemen aan de maatschappij”, zegt Heinie Raaijman, directeur taal bij Capabel.

Veel meer cursisten zouden, zoals Soltani, al tijdens de cursus werkervaring moeten opdoen om de kans op een baan te vergroten, vindt de Rekenkamer. Maar er zijn te weinig stageplaatsen, vrijwilligerswerk en gesubsidieerde banen.

De Rekenkamer concludeert dat de cursussen onvoldoende rekening houden met het niveau van de inburgeraars. Hoger- en lageropgeleiden zitten bij elkaar in de klas. Het niveau van cursisten in de klas van Soltani verschilt enorm. De een spreekt heel behoorlijk Nederlands, de ander nauwelijks. Dat is beleid van Capabel, zegt docente Mandy Blom. „De snel lerende inburgeraars trekken de langzaam lerenden mee.” Wel is er een aparte klas voor analfabeten en andere „heel erg langzame” leerlingen. Gemiddeld zijn inburgeraars ongeveer na een jaar toe aan het examen. „Dat examen moet gehaald worden, docenten zijn streberig”, zegt Blom.

Tot nu toe viel het aantal geslaagden in Den Haag nogal tegen, stelt de Rekenkamer. Een kwart van de verplichte inburgeraars die voor augustus 2008 met een cursus begonnen, was in juli 2009 geslaagd. Van de vrijwillige inburgeraars was dat in die periode slechts 4 procent. Uit het rapport: „De Rekenkamer is van oordeel dat deze getallen veel hoger kunnen zijn.”

Het kostte de Rekenkamer grote moeite om aan de informatie te komen over de inburgering, blijkt uit het rapport. Belangrijke cijfers ontbreken, waardoor de raad niet goed kan worden geïnformeerd, zegt Ing Yoe Tan, collegelid van de Rekenkamer. „Dat kan veel beter.” Een voorbeeld: „Zo hebben we maar van 759 van de 4.658 inburgeraars informatie over werk. Van die 759 inburgeraars hebben er 59 werk. De meesten hadden al voor het examen een baan.”

Docent Mohamed Kaouch van Capabel merkt van nabij hoe zinvol de lessen kunnen zijn. Zijn moeder, sinds 1979 in Nederland, volgt ook een cursus. „Ze kan zich nu zelf redden in de supermarkt.”

Laatst had hij een Turkse man in de klas die al dertig jaar in Nederland woont, maar nog geen woord Nederlands spreekt. Kaouch: „Dat mag niet meer voorkomen.”