Niet zonder zorgen

Tegen tienen vielen Wouter Bos en Lilianne Ploumen elkaar gisteravond op de ledenraad in Utrecht dolgelukkig in de armen. Het was gelukt! De partij was óm! We krijgen twee jaar later onze WAO en we mogen tot ons 67ste doorwerken! Hoera! Op de eerste rij zaten de andere partijkanonnen te glunderen. Ze hadden op afroep gebulderd en nu werden ze weer voor een tijdje opgeborgen.

Ik liep naar de garderobe, een verdieping lager in het Jaarbeursgebouw. Enkele mannen werkten er in hoog tempo om ons onze jassen te geven. Zwaar beroep? Nee. Leuk beroep? Nee. Beneden aan de roltrap stonden nog dezelfde veiligheidsmannen die ons aan het begin van de avond welkom hadden geheten. Genoten ze? Zo te zien niet. Zou ik tegen ze zeggen: „Twee jaartjes erbij, heren! Tof!?” Ik besloot het aan die blije PvdA-gezichten over te laten.

Ik liep door de brede benedengang naar de uitgang. Daar was het nu stil en verlaten, de FNV-demonstranten – tegen de PvdA! – waren naar huis. Twee opmerkingen van Wouter Bos uit zijn slotwoord zweefden nog door mijn hoofd. „Ik ben niet zonder zorgen hoe dit in de praktijk zal uitpakken.” En: „Het is ook niet zonder electorale risico’s.”

Dat zei de leider van een regeringspartij die in de peilingen op dertien, veertien zetels staat. Hoeveel risico’s kun je nog nemen als je al met één been in de afgrond hangt? En waarom zou je eigenlijk een maatregel invoeren als je nog zo onzeker bent over de praktische gevolgen ervan?

Ik begreep het niet zo goed. Als ik partijlid was, zou ik behoorlijk ongerust zijn. Twee mannen van de FNV hadden in de zaal uitgelegd waarom ze tegen de plannen waren. Veel tijd kregen ze niet, niemand trouwens, behalve Mariëtte Hamer, die in haar eentje langer aan het woord was dan alle tegenstanders samen.

Werknemers in zware beroepen, zeiden de FNV-mannen, waren vaak mensen met een lage opleiding en een matige gezondheid, en juist zij moesten voortaan twee jaar langer werken. Wilden ze toch op hun 65ste stoppen, dan kregen ze een 13 of 15 procent lagere AOW-uitkering. De FNV-mannen hadden weinig trek dat hun achterban aan te praten, en daar kon ik me wel iets bij voorstellen.

Maar waarom waren ze er in de PvdA dan wel zo opgetogen over? Het wilde me naar niet duidelijk worden. Ik hoorde ook steeds van die rare gelegenheidsargumenten. Het moest wegens de crisis, en als straks een rechts kabinet zónder PvdA het zou invoeren, dan zou het allemaal nog veel erger worden.

Maar moesten we dan ook niet alvast de vakanties afschaffen, omdat rechts straks misschien wel werkkampen ging instellen?

Op de terugweg las ik in de trein de brief die Agnes Jongerius bij de ingang had laten verspreiden. „En ik nodig u bij deze van harte uit”, schreef ze, „om op zaterdag 21 november naar een van de AOW-acties te komen om te laten merken dat ook u denkt dat het socialer kan.”

Ze zullen niet komen, de PvdA-leden. De FNV moet het alleen opknappen, samen met de SP en, god kan het niet verhoeden, de PVV. Dat wordt dus FNV-SP-PVV contra de PvdA.

Namens mijn vrouw, die om haar moverende redenen niet op de ledenraad aanwezig was, moet ik zeggen: „Ik ben niet zonder zorgen hoe dit in de praktijk zal uitpakken.”