Milieugroepen willen met Vleeswijzer eetgedrag beïnvloeden

Naast vis is er tegenwoordig ‘duurzame vis’. Want niemand wil graag vis verkopen die door milieuorganisaties in de ban is gedaan. De Viswijzer heeft gevolgen gehad.

Drie jaar geleden kwam de ‘Viswijzer’ ter wereld: Wereldnatuurfonds en Stichting de Noordzee publiceerden gezamenlijk een handzaam lijstje van vissoorten met een koopadvies in stoplichtkleur: groen, oranje of rood. Inmiddels is men toe aan de derde herziene editie en zijn er ruim zeven miljoen wijzers van de drukpersen gerold.

De vraag of de wijzer succesvol is, wordt verschillend beantwoordt. „Ja”, juicht men bij de twee natuurorganisaties, want met name de supermarkten maken veel werk van duurzame vis. „Nee”, zegt Ben Daalder, de Texelse voorzitter van de Federatie van Visserijverenigingen, die zich vooral ergert aan de classificatie van bepaalde soorten.

De eerste die iets zouden moeten merken zijn de viswinkels, maar Peter van de Laar, voorzitter van het Verbond van de Nederlandse Visdetailhandel, ontwijkt een helder antwoord. „Misschien dat er twee of drie klanten per week over die viswijzer beginnen”, vertelt de Nijmeegse vishandelaar per telefoon. Maar ter verklaring van de, in zijn ogen geringe, invloed voegt hij er onmiddellijk aan toe dat hij in zijn zaak natuurlijk sowieso al de „bewustere consument” krijgt die „meer wil uitgeven voor een goed product”. Want de haring die hij verkoopt – „direct op zee gekaakt, dat gebeurt bijna niet meer” – is toch van een andere kwaliteit dan wat de supermarkt levert.

Maar juist supermarkten dwingen veranderingen af in de visserij via hun samenwerkingsverband: het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel. „Als CBL kwamen we in 2007 met het zeven stappen plan ‘Vis Beter’ over verduurzaming van vis”, vertelt een woordvoerder. Een directe relatie met de Viswijzer legt ze niet, maar ze erkent wel dat de twee organisaties achter de wijzer, WNF en Noordzee, ook aan tafel zaten bij het opstellen van dat plan. Het belangrijkste punt is dat in 2011 alle wildgevangen vis (over kweekvis lopen weer andere gesprekken) in de supermarkten een keurmerk moeten hebben van de Marine Stewardship Council.

Dit zogeheten MSC-certificaat – tien jaar geleden in het leven geroepen door WNF en Unilever – begint meer invloed te krijgen. Het certificaat kan worden uitgereikt aan groepen vissers die op dezelfde manier werken, zoals de Nederlandse haringvissers in de Noordzee. Voorwaarden zijn: geen overbevissing en bescherming van de natuur onder water. Ook traceerbaarheid van de gevangen vis is belangrijk, en daarom worden ook vishandels gecertificeerd – zoals de winkel van Peter van de Laar in Nijmegen. „Wij hebben uiteindelijk hetzelfde doel als Stichting de Noordzee”, zegt Van de Laar. „Wij willen ook over vijftig jaar nog vis kunnen verkopen.”

De enigen die een probleem met de certificering hebben zijn de Nederlandse kottervissers die met sleepnetten op tong en schol vissen. Dit zijn de mannen die Ben Daalder vertegenwoordigt, en het is verreweg de grootste beroepsgroep onder de Nederlandse vissers. Waar de schoen knelt is dat zij op volkomen legale wijze hun werk doen, maar dat natuurbeschermers toch hun visserij veroordelen. De overheid kijkt namelijk alleen naar vangstquota, en de natuurbeschermers ook naar de vernietiging van de zeebodem door de sleepnetten en de ongewenste bijvangst die dood overboord wordt gezet. De visserijsector werkt wel aan alternatieve sleepnetten, maar toch zijn dit structurele problemen die moeilijk oplosbaar zijn. Er zijn dus twijfels of de boomkorvissers hun MSC-certificaat wel zullen krijgen. „We moeten de MSC niet heilig verklaren”, zegt Daalder. „We zijn ook bezig met een alternatieve certificering, het Britse Responsible Fishing Scheme. Dat gaat over vissen binnen spelregels en het terugdringen van de bijvangst. Daar kunnen we snel aan voldoen.”