Je kiest een setje en dan reborn je hem

Voordat ik naar de poppen- en berenbeurs vertrek, vertelt iemand me over het fenomeen uncanny valley: een onderzoek over hoe mensen robots zien. Wij willen graag dat een robot menselijke trekjes heeft, bijvoorbeeld twee ogen of benen. Maar als de robot te veel op een echt mens gaat lijken vinden we het niet meer prettig. Dan stoot het juist af.

De poppen- en berenbeurs is wat mij betreft uncanny valley 2.0. Meteen bij de eerste stand zie ik een levensgrote, goed gelijkende babypop in een roze pakje met capuchon, waar een briefje bij staat: twee gezichten! Als ik aan de geduldige mevrouw vraag wat dat precies betekent, trekt ze de capuchon af, pakt kordaat het babyhoofdje vast en draait hem 180 graden. Zodra blijkt dat het achterhoofd bestaat uit een nieuw, boos gezichtje denk ik: ik weet niet zeker of ik goed ga slapen vannacht.

Ik had porselein met rode getuite mondjes verwacht, maar de meeste poppen zijn baby’s. En ze zijn verschrikkelijk levensecht. Compleet met pluishaar, spuugbelletjes en af en toe een stukje navelstreng liggen ze stil in hun wiegjes. Eén term begint op te vallen: rebornbaby’s. „Wat zijn dat?” vraag ik aan een verkoopster. „Van een paar originele modellen worden in China kopieën gemaakt”, legt ze uit. „Maar de onderdelen, hoofd en ledematen, zijn los. Je kiest een setje en dan reborn je hem. Je maakt het gezichtje, kiest het haar. Dat haar is lastig, je moet elk haartje door het hoofd duwen en vastlijmen. Mijn kleindochter vroeg laatst: dat doet hem toch pijn?” Ze lacht. „Voor mij leeft hij pas als ik hem aankleed.” Ik wijs naar een kleine, dunne baby die nogal blauw en vlekkerig ziet. „En die?” „Ja, dat is de nieuwe trend he”, zegt ze. „Prematuurtjes.”

Voordat ik echt bang word dat iemand zal proberen mijn eierstokken te ontvreemden, richt ik me op de beren. Ik heb speciaal voor de gelegenheid mijn eigen beer meegenomen, een afgeknuffeld bundeltje stof met oren. Ik wil hem graag naar de berendokter brengen, voor een all-round total body-scan (ik hoop dat een man in witte jas met een houten hamertje op zijn berenknie wil slaan). De berendokter is echter een potige vrouw die zuinig naar mijn beer kijkt, geen enkele opmerking maakt over ‘1984, echt een goed berenjaar’ of ‘deze zal nu rond de vijftig euro waard zijn’, maar zakelijk zegt: „Wat moet er mee gebeuren?” „Opvullen?” fluister ik, waarna ze mijn beer open knipt en met een schaar plukken vulsel in hem begint te proppen. Ik vind het schouwspel grenzen aan een aflevering Faces of Death. Dan betaal ik haar, en breng mijn gerebornde beer snel naar huis.

Renske de Greef

Lees eerdere columns van Renske terug op nrcnext.nl/columnisten