'Ik kan niet meer doen wat ik wil'

Jaren geleden veroorzaakte Raymond van Barneveld (42) een dartshype. Nu vreest hij uit beeld te raken. „Vaak overheerst bij mij het pessimisme.”

Met lichte tegenzin voldoet Raymond van Barneveld zaterdagochtend aan het verzoek van de fotograaf op het podium te poseren. Hij voelt zich maar wat ongemakkelijk, als enkele vroeg gearriveerde dartsliefhebbers naar hem staren op de verhoging in het Van der Valk Hotel in Nuland. Pas op de speelvloer, bij zijn voorbereiding op het Players Championship waar hij vroegtijdig uitgeschakeld zou worden, ontdooit Van Barneveld weer. Hij dolt met sparringpartner Vincent van der Voort, omhelst bekenden die de zaal binnenkomen en gooit zijn rechterarm warm.

Miljoenen televisiekijkers zagen Van Barneveld in 1998 op de knieën gaan als eerste Nederlandse winnaar van de officieuze wereldkampioenschappen in Frimley Green. Hij prolongeerde zijn titel een jaar later en zorgde voor een ware dartshype. De voormalige postbode werd Ridder in de Orde van Oranje Nassau, maar was niet voorbereid op het succes. Waar hij kwam, hoorde hij wildvreemden „one hundred and eighty!” roepen. Hij vindt de voorbeeldfunctie nog altijd benauwend. „Ik kan niet meer doen wat ik wil”, zegt hij. „Ik kwam graag een broodje halen bij een eetkraampje in Den Haag. Als ik nu een rij zie staan, rijd ik door. Dat soort situaties ontwijk ik liever.”

Hij vertelt dat hij afgelopen nacht nog drie keer door een „randdebiel” uit zijn slaap is gebeld. „Ik ben een aap die een trucje kan en voor sommigen ben ik daarom publiek bezit geworden. Het schijnt leuk te zijn mij af en toe wakker te bellen en dan te lachen.”

Van Barneveld erkent dat hij nog steeds verlegen is, als de jongen die dagenlang op zijn zolderkamer pijlen stond te gooien. Maar zo bescheiden als Van Barneveld kan zijn, zo zelfbewust is hij over zijn kwaliteiten als darter. „Darts in Nederland staat of valt met mij”, zegt Barney, die zijn eerste wereldtitel vierde met een sjaal met de opdruk ‘Return of the Legend’. Hij vreest dan ook het moment dat zijn prestaties in de van oorsprong Britse kroegsport in de vergetelheid zullen raken. „Anton Geesink heeft als judoka een unieke prestatie geleverd, maar mijn kinderen weten niet meer wie hij is. Dat gaat ook met Raymond van Barneveld een keer gebeuren.”

Merkt u nu op straat al afnemende bekendheid, nu darts in Nederland over het hoogtepunt heen is?

„Het is wat weggeëbd, maar ik merk dat mensen het nog steeds leuk vinden naar Barney te kijken. De sport staat er niet rooskleurig voor in Nederland. We hebben mooie jaren gehad, maar de drie grootste toernooien zijn omver gevallen. Het prijzengeld dat ik in 2007 bij Masters of Darts in Hengelo heb gewonnen, heb ik nog steeds niet gekregen. Darts is minder op televisie, sponsors haken af en in tegenstelling tot Engeland daalt hier het prijzengeld. Ik ben zelf vrijwel al mijn persoonlijke sponsors kwijtgeraakt. Ik heb nog deals met SBS6, dat weinig meer uitzendt en waarvan ik nog niet weet of ze door willen, en dartsproducent Unicorn, dat mijn merchandising wereldwijd verkoopt.”

Waar is het misgegaan met darts?

„De herrie tussen twee bonden en spelers onderling heeft de sport geen goed gedaan, net als de recessie. Dat wij niet meer in beeld zijn, komt door de Nederlandse televisie. Zij zeggen dat er geen animo meer voor is, maar dat geloof ik niet. Er zijn zo veel mensen die darts spelen en de wedstrijden volgen via internet. Ik denk eerder dat de tijd is veranderd, nu So you wanna be a Popstar en Dancing on Ice voorrang krijgen op tv. Maar als ik naar Hole in the Wall kijk, vraag ik me echt af waarom darts geen tweede kans krijgt. Ik erger me er groen en geel aan. Een uur lang door een gat springen, dat is toch niet normaal.”

Speelt u daarom voornamelijk in Groot-Brittannië?

„Ja, heel gek, maar in Engeland neemt de populariteit juist weer toe. Het lijkt wel of darts een hype wordt waar ik speel. Van februari tot mei speel ik weer in de Premier League, een competitie van veertien weken tussen acht van de beste darters [waar elke speler 25.000 pond krijgt en de winnaar 125.000 pond, red.] De eerste wedstrijd is in de O2 Arena in Londen met tienduizend supporters. De tv-zenders Sky en ITV zenden tien toernooien per jaar uit. Kijk, dan gaat het ergens om.”

Hoe vergaat het de Nederlandse darters die in uw slipstream profspeler zijn geworden?

„Die hebben het moeilijk. Als ik straks niet meer mijn centjes kan verdienen, hoe is het dan met jongens als Jelle Klaasen, Michael van Gerwen en Vincent van der Voort? Niet om arrogant te zijn, maar ik heb genoeg verdiend om altijd kunnen blijven spelen. Er zijn jongere profspelers die elke keer hun prijzengeld moeten investeren in een nieuw toernooi. Voor sommigen is honderd euro startgeld vandaag te veel. Mijn ultieme doel is een profteam te beginnen met drie of vier spelers, een coach en een manager. Maar dat kost zeker een paar ton per jaar en of dat realistisch is? [Lacht] Misschien leest er een Russische miljonair mee.”

Hoe lang wilt en kunt u zelf nog mee als darter?

„Voorlopig vind het het nog hartstikke leuk. Ik mis alleen steeds vaker concentratie en raak sneller geïrriteerd, mede door conditiegebrek. Daarom doe ik alles om lekker in mijn vel te zitten. Ik train drie dagen per week in mijn eigen kantoorpand in Den Haag. Daarnaast doe ik neurofeedback, therapie om hersenactiviteit te beïnvloeden. Dat deden autocoureur Michael Schumacher en het Italiaanse voetbalelftal ook. Ook ben ik gaan floaten, drijven in een zoutwaterbad om alle afvalstoffen uit je lichaam te krijgen. Verder kom ik nog steeds bij de haptonoom en wil ik me vaker laten masseren.”

Collega’s zeggen dat u de grootste tegenstander van uzelf bent. Heeft u een lastig karakter voor darts?

„Ja. Ik vind veel eng en ben steeds sneller afgeleid. Altijd denk ik na over wat er mis zou kunnen gaan. Ik wantrouw ook vaak mensen door wat slechte ervaringen. Vaak overheerst bij mij het pessimisme. En ondanks dat ik veel te gemakzuchtig ben, eis ik te veel van mezelf. Waar dat vandaan komt weet ik niet. Ik wil alleen maar winnen. Dat heeft niemand me aangeleerd. De tweede plaats telt absoluut niet. Jammer, want ik kan concluderen dat ik een mooi leven heb opgebouwd. ’s Winters schiet ik wel eens wakker om half zes als ik de jongens van de post hoor. Dan kijk ik op m’n klokkie en denk: zo, dit hebben we toch maar mooi verdiend.”

U drinkt, zoals de meeste darters, alcohol bij wedstrijden. Is het mogelijk om zonder in de top te spelen?

„Ik wil best stoppen met alcohol, maar dan moet iedereen meedoen. Nu maakt wel of niet drinken het verschil tussen top 20 en topvier. Er ligt een enorme last op onze schouders en alcohol geeft een vorm van zelfvertrouwen. Je voelt je net wat lekkerder en kunt je zenuwen beter onder controle houden. Zelf drink ik bij wedstrijden drie of vier wodkaatjes. Met alcohol is het net als met supporters. Als 9.000 Engelsen de naam van mijn tegenstander zingen, sta ik niet super te gooien. Maar gillen 9.000 Nederlanders mijn naam, dan vliegt die pijl d’r zo in.”

Mede door het alcoholgebruik kreeg darts niet echt een sportief imago. Stoort u dat nog steeds?

„Ik snap heus ook wel dat een wielrenner veel meer voor zijn sport moet doen dan een darter. En van mensen die bepalen wie genomineerd wordt voor het sportgala van NOC*NSF begrijp ik dat ze afhaken zodra er alcohol om de hoek komt kijken. Maar kom op, maak dan een aparte Jaap Eden-trofee voor behendigheidssporten als biljarten, dammen, schaken en sjoelen. We trainen echt niet zoals schaatsers doen, maar ik zal je vertellen dat dit een stressvol baantje is. Maar weinig sporters in Nederland zijn mentaal zo sterk als Phil Taylor of Raymond van Barneveld in goeden doen.”