Goed zijn in eten

,,Ik zou toch eens wat moeten gaan doen!” zegt Julia Child in de vorm van Meryl Streep met weer eens een andere verrukkelijke gekke stem, terwijl ze met haar man Paul Child in een restaurant zit.

,,Wat vind je écht leuk om te doen?” vraagt hij.

,,Eten!” proest zij, terwijl ze iets ongetwijfeld geheel goddelijks in haar mond stopt.

,,En je bent er zo goed in!” grinnikt hij.

Dat zie je wel steeds in die film Julie & Julia, een gezellige, maar niet krankzinnig belangwekkende film, dat sommige mensen ook heel goed kunnen eten.

Koken ook natuurlijk. Maar koken, hoe leuk ook en hoe bevredigend soms ook – en hoe vermoeiend, vervelend, tijdrovend of stinkerig soms ook – geschiedt natuurlijk maar met één doel: eten.

Wie niet wil eten, hoeft ook niet te koken. Wie niet goed kan eten, is de inspanning van het koken niet waard.

En wat is dan goed eten?

Goed eten is allereerst, uiteraard, eten met smaak. Dus niet onverschillig kauwen – „ach je moet gewoon wat in je maag hebben”. En ook niet de hele tijd zitten emmeren over gezond of niet gezond (al moeten we natuurlijk verstandig eten, tuurlijk). Als je een hapje goddelijk Frans eten neemt, kan niet de eerste vraag zijn hoeveel boter, suiker of beide erin zit. Goed eten is ook : vrolijk worden van eten. Een goed humeur krijgen van een drupje lekkere saus, met animo een stukje kip afsnijden, nog een paar blaadjes sla met vinaigrette pikken uit de schaal. Dat soort dingen.

Oh ja: en niet bang zijn. Niet zitten tutten als er eens een niertje op je bord ligt, niet eng doen over spruitjes of lof, niet beweren dat de vissenoogjes je zo aankijken.

Zo zie je dat die bewering van Paul Child helemaal niet zo gratuit is als-ie misschien lijkt en dat hij wist waar hij het over had.

Goed eten betekent trouwens ook: genieten van iets heel eenvoudigs of gewoons. Omelet bijvoorbeeld, met fijngesneden kruiden.

Ja, denkt iedereen, lekker, maar dat kan ik al. Moet je Julia Child eens lezen. Dan begrijp je dat je je vergist. He moet zo:

Niet meer dan 2 à 3 eieren per omelet gebruiken, voor meer personen gewoon meer omeletten maken. Het duurt maar dertig seconden.

Snijd de fines herbes.

Kluts de eieren zeer kort door elkaar, net genoeg om de witten en de dooiers te mengen en voeg er peper en zout aan toe.

Verwarm een koekenpan met een dunne bodem op het gas tot zéér heet, smelt de boter en als het schuim bijna weg is en de boter bruin dreigt te worden: voeg de geklutste eieren toe. Begin de pan direct met korte hevige rukken op het vuur heen en weer te schuiven, terwijl je met een vork, platte kant naar beneden, de eieren over de bodem van de pan verspreidt. Na 3 of 4 seconden wordt de massa licht brokkelig – voeg de kruiden toe.

Til de pan bij de steel op tot hij een hoek maakt van 45 graden met het fornuis en verzamel met de vork de eieren tegen de verste rand van de pan, zorg dat ze nergens plakken. Nu sla je een paar keer met je rechtervuist op de steel van de pan, hárd, om de omelet los te maken en aan de verste rand te laten omkrullen. Dan bak je nog 1 of 2 seconden, zodat de onderkant bruin wordt en voilà, een omelet met een zacht en romig binnenste vol kruiden is je deel. Klontje boter erover uitstrijken. En metéén eten. Goed eten.