Gezegend zijn de jachthonden

Toen we ruim een jaar geleden begonnen met deze rubriek over vormen van geloofsbeleving, hadden we geen idee hoeveel variaties er waren: zich hullen in zwijgen, schreeuwen alsof Hij slechthorend is, zingen en dansen, springen en tollen en bukken, lachen en huilen, zich laten slaan met een bamboestok of tijdens de genezing stuiptrekkend vallen op de grond. Huizen worden ingezegend, baby’s worden kaal geschoren, huwelijken worden voor zeven levens gesloten en zelfs de doden worden gedoopt.

Kortom: weinig kon ons nog verbazen, en toch. Van de uitnodiging voor de Hubertusviering keken we op: „Zaterdag 17 oktober 2009 wordt in het kerkje in Engelbert voor de tweede keer een, voor Groningen unieke, St. Hubertusviering gehouden. Aanvang 11.00 uur. De viering wordt geleid door pastoor drs Annemieke Duurkoop van de Oud-Katholieke Kerk Nederland met medewerking van de Gregoriaanse Schola In Amicitia et Devotione uit de stad Groningen o.l.v. Hans Eijsink en de jachthoornblazers Sonneurs van het Noorden o.l.v Daan Hoogstra. De organisatoren hopen met deze viering, die ongeveer één uur duurt, een oude traditie een vaste plaats in de provincie Groningen te geven.”

En toen kwam de zin waar we van opkeken: „In de kerk worden dieren niet toegelaten, maar na de viering kunt u uw jachthond laten zegenen door de pastoor.”

Engelbert is een eind reizen met vroege treinen, maar je wil niet vlak voor Zwolle tot stilstand komen met de mededeling dat het signaal op rood staat en de laconieke toevoeging dat „iemand zich voor de trein heeft geworpen”. Een wilde rit met een taxi naar Zwolle, sneltrein naar Groningen, tweede taxirit naar de eenvoudige, witte kerk in Engelbert en evengoed de preek gemist. De kerkgangers zien er niet helemaal uit als verwacht: slobbertruien, wijde broeken, ribfluwelen jasjes met elleboogpatch, en één vrouw heeft stiekem toch een hond de kerk binnengesmokkeld.

Het blijft een moeilijke vraag: waarom zou men jachthonden zegenen? Dat zijn toch woeste achtervolgers van vossen en hazen die daarna met een knal van het leven worden beroofd? Maar het wordt uitgelegd in het liturgieboekje: „Niet zozeer de honden worden gezegend, als wel het werk dat zij gaan doen. (…) Hun werk draagt bij tot een goede en eerlijke zorg voor de schepping.” Daar zit wat in, ook de Heer zou willen dat het natuurlijke evenwicht wordt gehandhaafd. Als de mis voorbij is, loopt iedereen naar een veldje achter de kerk, waar vijftien glanzend geborstelde honden keurig naast hun bazen zitten. De pastoor komt met een kommetje wijwater en besprenkelt de kwispelaars één voor één met een buxustakje, terwijl de jachthoornblazers nog één keer stevig inzetten. Je zou je haast in tijden van ridders en kastelen wanen. In de kroeg naast de kerk vertellen de jagers over hun honden alsof het geliefden zijn en over de zorgvuldigheid waarmee ze worden getraind. Je wilt geen doorbijters, de neergeschoten eend of konijn moet zacht tussen de kaken worden genomen en teruggebracht, anders wordt het een rotzooi. Ze oefenen met dummies en daarna met ‘koud wild’, beesten die al dood waren, en pas als ze klaar zijn, mogen ze mee voor het warme wild. Dat een goede training nodig is, is begrijpelijk, maar waarom de zegening? De jagers spreken wat door elkaar, alles kun je zegenen en voor alles kun je God aanroepen. Maar in de stelling dat het wel iets heeft van het halal-slachten door moslims kan men zich niet direct vinden. Jagen is een hobby en alles er omheen is voor de gezelligheid. „Ach”, zegt een jager, „die mis is wel mooi. En je komt tenminste een keer in het jaar in de kerk.”

Reacties en suggesties: ramdas@nrc.nl