Zonder geschiedenisles helpt canon niet

Inzicht in veranderingen en continuïteiten is van belang om de huidige samenleving te begrijpen. Dat wordt alleen verworven in een concreet historisch verhaal, meent Hans Blom.

(Illustratie Cyprian Koscielniak) Koscielniak, Cyprian

De belangstelling voor geschiedenis in Nederland is groot. Musea en archieven hebben hoge bezoekersaantallen, de media lijken er geen genoeg van te kunnen krijgen en de Week en Nacht van de Geschiedenis trekken overvolle zalen. Niettemin overheerst in het publieke debat een zorgelijke toon. Daarbij lopen verscheidene onderwerpen door elkaar. Het gaat om het gebrek aan feitenkennis van vooral het Nederlandse verleden, en in aansluiting daarop om het ontbreken van historisch besef. Hans Goedkoop ziet in dit debat het bewijs dat het ‘fantastisch’ gaat met het historisch besef (Opinie & Debat, 29 augustus). Maar daarmee gaat hij voorbij aan de kern, namelijk dat mensen hun handelen historisch geïnformeerd laten zijn. Zonder concrete historische kennis kan dat niet.

Het parlement heeft, reagerend op deze zorgen, de formulering van een historische canon mogelijk gemaakt en een Nationaal Historisch Museum in het leven geroepen. Geschenken aan de samenleving, die naar mijn mening ook de historici in dankbaarheid moeten aanvaarden. Maar de politiek zou zich moeten realiseren dat deze geschenken het vraagstuk waar het om gaat niet oplossen.

In zijn afscheidsrede als hoogleraar herinnerde Piet de Rooy er vorige maand aan hoe radicaal in Nederland in de jaren zestig afscheid is genomen van het verleden: „De historische ervaring is nagenoeg uit het collectieve geheugen verdwenen.” De brandgangen naar het verleden werden dichtgegooid, zo formuleerde Maarten Brands het eens. Vooral de kaalslag die in het onderwijs werd aangericht, was ernstig. Het scheelde niet veel of het hele vak geschiedenis was geofferd aan de tijdgeest. Dat gevaar is inmiddels afgewend, maar de schade is groot en lijkt blijvend. Want alleen in het onderwijs kan de grondslag worden gelegd voor een in concrete historische verhalen gegoten langetermijnperspectief, dat voor historisch besef nodig is en waarop later kan worden voortgeborduurd – of desgewenst ook tegenaan geschopt.

Inhoudelijk heeft de commissie-De Rooy enkele jaren geleden de hoofdlijnen voor zo’n globaal chronologisch overzicht opnieuw geformuleerd. Dat is pure winst: de zogenaamde ‘tijdvakken van De Rooy’ als ruggegraat voor dat chronologische langetermijnperspectief. Maar de beschikbare tijd in het onderwijsprogramma blijft ver onder de maat. Als de politiek werkelijk een bijdrage wil leveren, dan moet ze dat hier doen. Canon en Nationaal Historisch Museum kunnen fantastische hulpmiddelen zijn, maar ze hebben slechts een tijdelijk effect als ze niet ingebed zijn in degelijk geschiedenisonderwijs. Het verzet tegen de pogingen om het aantal uren geschiedenis weer op een aanvaardbaar peil te brengen, is nog altijd taai. Het gevolg is dat de losse historische informatie die in de dagelijkse praktijk over de mensen wordt uitgestort, in een vacuüm valt. Dat is een van de verklaringen voor de opgewonden wijze waarop in de media zo vaak wordt gereageerd op ‘onthullingen’ over het verleden. Enige decennia geleden dreigde onder invloed van het postmodernisme de opvatting te domineren dat het bij geschiedenis alleen maar ging om intellectuele constructies, onbewijsbare verhalen zonder werkelijkheidswaarde. In de meest onzinnige varianten kon dat leiden tot uitspaken als ‘Nederland bestaat niet’.

Daartegenover heb ik midden jaren negentig als voorzitter van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap juist volgehouden: ‘Nederland bestaat’ en heeft dus eigenschappen.

Inmiddels voert in het publieke debat een andere, maar even problematische benadering van het verleden van Nederland de boventoon. Nu wordt een onveranderbare kern gesuggereerd van wat Nederland op grond van zijn verleden zou zijn. Dat komt tot uitdrukking in de ongelukkige woordkeus van de ‘Nederlandse identiteit’. Die leidt bij associatie nogal eens tot diskwalificatie van die tijd- en landgenoten die niet aan de geproclameerde kenmerken van die identiteit voldoen.

Maar deze gedachtegang is fundamenteel onjuist. Geschiedenis is immers bovenal verandering. Dat Nederland bestaat, betekent niet dat het altijd heeft bestaan of dat het steeds dezelfde kenmerken had en zou blijven houden. Integendeel, Nederland heeft niet altijd bestaan en de Nederlandse staat die eind zestiende eeuw gevormd werd, lijkt nauwelijks op het huidige Nederland. ‘Nederland verandert’ dient het motto te zijn.

Wel zijn er ontwikkelingen die behalve verandering ook continuïteit tonen. Inzicht in veranderingen en continuïteiten is van belang om de huidige samenleving te begrijpen. Dat inzicht kan alleen verworven worden in een concreet historisch verhaal. Alleen zo kunnen wij greep krijgen op die warboel aan gebeurtenissen die tezamen het verleden van Nederland vormen; en alleen zo kunnen wij inzicht in het verleden gebruiken om te bepalen wat voor Nederlandse samenleving wij voor de toekomst nastreven. Zonder historisch besef is men veroordeeld tot een zwalkend beleid dat vooral in opgewonden atmosfeer reageert op incidenten.

Het geheel van de Nederlandse geschiedenis overziend springen vooral drie karakteristieken in het oog: Nederland waterland, Nederland burgerland en Nederland vergaderland.

Voor het huidige publieke debat is vooral de karakteristiek ‘Nederland vergaderland’ van betekenis, ‘Nederland compromissenland’ zou je ook kunnen zeggen. De Republiek was de onbedoelde uitkomst van de bloedige strijd in de tweede helft van de zestiende eeuw, waarvoor burgeroorlog een adequatere aanduiding is dan opstand en zeker dan (tachtigjarige) oorlog. In deze staat kwam een vreedzame omgang met de tegenstellingen in de samenleving tot ontwikkeling. Dat wil niet zeggen dat er geen geweld meer was; het ging ook heel wat ruwer toe dan tegenwoordig als aanvaardbaar wordt beschouwd. En als grote mogendheid aarzelde die Republiek niet om militair in te grijpen als de belangen werden geschaad. Maar intern overheersten de pogingen om geweld te dempen of te vermijden. Dat was geen voluit als gelijkwaardig aanvaarden van andere meningen, opvattingen en gedragingen. Integendeel, zeer ongelijke machtsverhoudingen en ongelijkwaardigheid tussen groepen waren kenmerkend. Maar een mixture van gedogen, schikken en plooien, halfhartige compromissen en doormodderen leidde tot een lagere graad van geweld dan in de meeste andere landen.

Die mixture kon in de loop der tijd aanzienlijk van vorm en inhoud veranderen. In het Koninkrijk der Nederlanden, de natiestaat die uit de transformaties in Europa rond 1800 voortkwam, was vooral de verzuiling een manier om met de pluriformiteit in de samenleving om te gaan. Geleidelijk won de gedachte aan gelijkwaardigheid veld. Gecombineerd met de democratie leidde dat tot een modderig bestuur vol compromissen, met als voornaamste verdienste dat burgeroorlog uitbleef.

Een van de kernproblemen van de hedendaagse Nederlandse samenleving is hoe met de nieuwe pluraliteit als gevolg van recente immigratiegolven om te gaan. Historisch besef kan daarbij een belangrijke rol spelen. Niet om vormen uit het verleden klakkeloos over te nemen. Dat zou niet werken. Wel om een zekere wijsheid aan te ontlenen in de keuzen waarvoor het land staat.

Een mogelijkheid is te kiezen voor een eenduidige formulering van wat Nederlands is – een ‘identiteit’. Om vervolgens alles en iedereen die daaraan niet voldoet met kracht te bestrijden en te verwijderen. Dit denkbeeld heeft aantrekkingskracht gekregen in het laatste decennium. Dat zou, ondanks het motto ‘echt Nederlands’, wel een keuze voor een wezenlijk ander Nederland zijn en ook strijdig met een Nederlandse traditie. Maar niets verplicht tot het eeuwigdurend in stand houden van welke traditie dan ook.

En andere mogelijkheid is zoeken naar nieuwe vormen om de huidige pluraliteit in de samenleving op bevredigender manier gestalte te geven dan nu het geval is. Dat betekent niet dat alles moet kunnen, wat nieuwe groepen in de samenleving willen. Het is heel goed mogelijk om grenzen te trekken en het navolgen daarvan ook af te dwingen. Maar het gaat dan wel om de intentie variaties in individueel en groepsgedrag zo ruimhartig mogelijk te maken binnen een hecht samenlevingsverband.

Eenheid en verscheidenheid zijn in de Nederlandse geschiedenis steeds op uiteenlopende manieren met elkaar verbonden geweest. Het ongelukkige daarbij is dat de opeenstapeling van compromissen vaak zo’n afstotende werking heeft. Met die onvermijdelijke onvolmaaktheid leren leven lijkt niettemin de voorwaarde voor een samenleving waarin de gelijkwaardigheid van mensen optimaal vorm krijgt.

Hans Blom was van 1997 tot 2007 directeur van het NIOD. Dit is een bekorte versie van de rede die hij afgelopen zaterdag hield bij de Nacht van de Geschiedenis.