Welgestelden bouwen te veel pensioen op

De verhoging van de AOW-leeftijd geldt vooral voor de lagere inkomens, want de pensioenfondsen rekenen nog op een pensioen met 65. Ze sparen dus teveel, vindt Lans Bovenberg

Het kabinet heeft een historische beslissing genomen door de AOW-leeftijd tussen 2020 en 2025 te verhogen van 65 naar 67. Hiermee lijkt ons land het goede voorbeeld van Duitsland en Denemarken te volgen. Maar schijn bedriegt, want in Nederland ligt de verantwoordelijkheid voor het pensioenstelsel niet alleen bij de overheid maar ook bij de werkgevers en werknemers. Zij gaan over de pensioenfondsen en die zorgen voor ongeveer de helft van het inkomen van alle ouderen tezamen.

De werkgevers hadden wellicht de hoop dat de politiek de kastanjes voor hen uit het vuur zou halen door de fiscale aftrek voor de pensioenopbouw per direct aanzienlijk te beperken. Maar het kabinet verwijst de aanvullende pensioenen in feite weer terug naar de sociale partners. En zo hoort dat ook in de Nederlandse verhoudingen. De overheid versobert de aftrek voor pensioenopbouw pas vanaf 2020 en in zeer beperkte mate. Gevolg is dat de feitelijke pensioenleeftijd over een periode van zo’n 40 jaar geleidelijk naar 67 gaat en dus pas na 2060 op 67 zal komen te liggen. De 49-jarigen van nu krijgen op hun 67ste een AOW-uitkering, maar zullen hun aanvullende pensioen in 2025 vrijwel geheel hebben opgebouwd op basis van een pensioenleeftijd van 65. De AOW is vooral van belang voor de lage inkomens, terwijl voor de hogere inkomens de zelf bijeengespaarde pensioenen zwaarder tellen. Zonder eerdere versobering van de pensioenopbouw kunnen hogere inkomens de verhoging van de pensioenleeftijd nog lang voor zich uitschuiven, terwijl er op de arbeidsmarkt van 2025 vooral grote behoefte aan geschoolde werknemers zal zijn.

De sociale partners zijn aan zet. Een toekomstige verhoging van de leeftijd voor uitkeringen van pensioenfondsen vraagt om een abrupte verlaging van de pensioenopbouw omdat zich dat pas zo’n 40 jaar later volledig vertaalt in het uitstellen van het pensioen. De kostenbesparing kan worden besteed aan het welvaartsvast houden van pensioenuitkeringen en aan een beter functionerende arbeidsmarkt voor ouderen.

De overheid kan op drie manieren bijdragen aan robuuste aanvullende pensioenen. In de eerste plaats moet, net als in Denemarken, de AOW-leeftijd na 2025 gekoppeld worden aan de levensverwachting. Juist in landen met sterke pensioenfondsen hoort een betrouwbare overheid helder te communiceren over de toekomst van de AOW. Want alleen zo kan de huidige pensioenopbouw goed worden afgestemd op de AOW.

Het gelijk oplopen van de aanvullende pensioenleeftijd met de AOW vereist verder dat de AOW-leeftijd in kleine stapjes wordt verhoogd. Want de feitelijke pensioenleeftijd in de aanvullende pensioenen kan niet anders dan geleidelijk omhoog vanwege het kapitaalgedekte karakter. Om de AOW-leeftijd rond 2025 op 67 te laten uitkomen moet hij daarom al uiterlijk vanaf 2015 worden verhoogd met twee maanden per jaar. Daarmee wordt de verhoging ook geloofwaardiger en kan het CPB eerder een budgettaire opbrengst inboeken.

Ten slotte zouden mensen zonder veel arbeidsverleden de mogelijkheid moeten krijgen om vóór de nieuwe AOW-leeftijd al een AOW-uitkering aan te vragen waar dan wel op wordt gekort. Het arbeidsverleden hoeft dan niet te worden geregistreerd en de AOW blijft eenvoudig. Belangrijker is nog dat werkgevers niet met die oudere werknemers worden opgezadeld die op hun 65ste nauwelijks nog productief zijn. Sociale partners hebben daarvoor dan ook geen reparaties in aanvullende pensioenen nodig. Andere landen zijn ruimhartiger in het toestaan van flexibelere pensionering om zo tegemoet te komen aan de heterogeniteit van persoonlijke omstandigheden aan het einde van het werkzame leven. Door het denivellerende effect van een hogere AOW-leeftijd te compenseren met een ruimhartigere, flexibele AOW met zo nodig aanvullende bijstand voor lage inkomens, wordt een hogere pensioenleeftijd losgekoppeld van herverdeling. Zonder verdere sociale en politieke barrières kan de pensioenleeftijd dan al vanaf 2015 omhoog om rond 2025 gekoppeld te worden aan de levensverwachting.

Het Nederlandse pensioenstelsel wordt internationaal terecht geroemd. Deze positie is te danken aan de overheid en sociale partners die zich samen verantwoordelijk weten voor het hele stelsel. Het moedige besluit van het kabinet om de AOW-leeftijd te verhogen vraagt in de komende maanden om een vervolg waarbij de sociale partners de aanvullende pensioenen hervormen terwijl de politiek het AOW-besluit bijstelt in het belang van het pensioenstelsel als geheel.

Lans Bovenberg is hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg. In 2003 kreeg hij voor zijn onderzoek een Spinozaprijs van de NWO . Het toegekende geldbedrag stak hij in de oprichting van Netspar, een netwerk voor onderzoek in vergrijzing en pensioenen.

Zie voor uitgebreidere versie: www.mejudice.nl