Omgang met klanten noemde ze geen vozen

Wat betekent vozen? En waar komt dit woord vandaan? ‘Ik vraag of ze gevoosd heeft en Mien zee nee.’

Wat betekent vozen? Dat heb ik in mijn omgeving nagevraagd en ik kreeg drie antwoorden: vozen betekent ‘viezen’, het betekent ‘frunniken, seksuele spelletjes spelen’ en het betekent ‘vrijen’.

Bij de betekenis ‘vrijen’ heb je meteen een probleem, want hiermee stuit je indirect op een taboewoord, namelijk neuken. Er zijn mensen die dit woord per se niet willen gebruiken. Ze vinden het te plat of te hard voor wat het betekent: de liefde bedrijven. En dus gebruiken zij vrijen in de betekenis ‘neuken’, omdat dit zachter en lieflijker zou klinken (sterker nog: vrijen is diverse malen uitgeroepen tot een van de mooiste woorden van het Nederlands, samen met liefde). Voor andere mensen is er een duidelijk verschil tussen vrijen en neuken, waarbij vrijen wordt gebruikt voor ‘liefkozen’ of ‘minnekozen’, zoals het vroeger zo fraai heette.

Maar goed, terug naar vozen. Dit blijkt een tamelijk jong woord te zijn. Het is pas in 1937 voor het eerst aangetroffen en wel in een Bargoense woordenlijst, De Gabbertaal, van E.G. van Bolhuis. Van Bolhuis geeft als betekenis ‘vrijen’, zonder nadere toelichting.

Vozen behoorde lang tot het jargon van de prostituees en daar had het een specifieke betekenis, die we onder meer terugvinden in De arbeidsstructuur van de prostitutie uit 1970 van J.W. Groothuyse. Volgens Groothuyse, die jarenlang huisarts was op de Wallen, werd vozen gebruikt voor ‘overspel plegen, een verhouding waarbij het dus niet gaat om een zakelijke relatie; eventueel met een vriendje, ook wel met een klant’.

Anders gezegd: met een klant had je als prostituee geslachtsgemeenschap voor het geld. Maar vozen deed je voor je plezier, of uit liefde, met een minnaar, die tevens een klant kon zijn. Zo’n minnaar werd ook wel een voosbinkie genoemd.

We vinden dit specifieke gebruik van vozen onder meer terug in Gevaarlijk leven, een boek uit 1947 van Minny Heijermans, de oudste dochter van Herman Heijermans. Minny leidde een zeer avontuurlijk leven – er zou eens een biografie over haar moeten worden geschreven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was zij onder meer waarzegster. In Gevaarlijk leven voert zij de echtgenoot van een prostituee op, die zegt: „Afijn, na eenige maanden kom ik uit Duitschland terug, ik denk, wat ziet die Mien er goed uit; ik vraag nog of ze gevoosd heeft met een ander en Mien zee [zei] nee, en dat meende ze, want omgang met klanten noemde ze geen voozen.”

Hoe lang vozen onder prostituees deze specifieke betekenis heeft gehouden, is moeilijk vast te stellen. In 1959 lezen we in Het Vrije Volk: „Joop S. was, wat je noemt, een ‘aflegger’, een man die zijn vrouw steeds controleerde, omdat zij ‘voosde’, dat wil zeggen: verhoudingen had die geen geld opleverden.’’ En in 1989 definieerde Haring Arie, een figuur uit de Amsterdamse onderwereld, in een woordenlijst in zijn boek De sarkast, het woord vozen als ‘vreemdgaan of het klaarkomen van een hoer bij een klant’. Tegen die tijd was vozen echter allang in het algemene spraakgebruik doorgedrongen, voor ‘vrijen’, de enige betekenis die in de Grote Van Dale staat vermeld.

Rest de vraag waar vozen vandaan komt. Uit het Rotwelsch, de Duitse dieventaal. Daar wordt of werd fosen gebruikt voor ‘vrijen’; het is afgeleid van Fotze, dat vele betekenissen heeft, waaronder ‘slons’, ‘hoer’ en ‘vagina’.

Vanaf deze week ligt van Ewoud Sanders in de boekwinkels: Van asotaks tot zedenpleger. Tien jaar nieuwe woorden (Uitgeverij NRC Boeken, 240 pag., 12,50 euro)