Niemand heeft werk en niemand is gelukkig

Jutta Chorus: Afri: Leven in een migrantenwijk. Contact, 372 blz. € 22,50****

Anderhalf jaar lang fietst schrijver-journalist Jutta Chorus regelmatig vanaf het Centraal Station in Rotterdam de Erasmusbrug over naar Rotterdam-Zuid. Vervolgens neemt ze de eerste afslag rechts: de Pretorialaan, de ingang van de Afrikaanderwijk. Hier vestigden zich in de jaren zeventig steeds groter wordende groepen Turken, Marokkanen en Zuid-Europeanen. De meeste huizen in de Pretorialaan, vaak met kapotte deuren, soms met dichtgetimmerde ramen, zijn eigendom van huisjesmelkers. ’s Avonds is het er pikdonker. Die sfeer van onveiligheid en armoede kenmerkt ook de rest van de wijk.

Chorus koos bewust voor de oudste migrantenwijk in Nederland, de Afrikaanderwijk in Rotterdam-Zuid, waar in 1972 rellen uitbraken tussen autochtonen en gastarbeiders. In het huidige integratiedebat, schreef ze vorige maand in NRC, vinden ‘deelnemers zichzelf, hun eigen mening en de kiezersgunst belangrijker dan een goed begrip van de situatie’. Afri: Leven in een migrantenwijk gaat wel in op de situatie.

Ze voert drie families op: een Turkse (Soyçiçek), een Marokkaanse (Ghelali) en een Nederlandse (Van Rooijen), van wie de eerste verreweg het vaakst aan het woord komt. De jonge en gezette Osman Soyçiçek probeert snackbar Jan & Jan te runnen, maar zijn strafblad keert zich tegen hem. Hij krijgt daarom geen vergunning, maar evenmin kan hij loskomen van zijn criminele vrienden Özhan en Gökhan. Omdat Osman dealt kan hij zijn tantes regelmatig wat geld toeschuiven zodat deze, ondanks hun karige uitkering, de kinderbijslag kunnen inleggen voor een huis in Turkije. Zo blijft iedereen van iedereen afhankelijk. Niemand van de uitgebreide Soyçiçek-familie heeft werk en niemand is gelukkig.

De Nederlandse familie Van Rooijen vertegenwoordigt een minderheid in de wijk, met 84 procent allochtonen. Moeder Marion is vet, schoondochter Anja MS-patiënt en kleinzoon Mike autistisch. Marion houdt desondanks de vinger aan de pols in de wijk: er wordt niet gediscrimineerd.

Minder goed uit de verf komt de Marokkaanse familie Ghelali. Hun verhalen lopen via de geslaagde zoon Mehem. Hij studeerde bouwkunde en praat als een Nederlander, zeggen de jongens in de wijk. Mehem heeft ‘foute’ broertjes, een bloedmooi zusje en een kind met een Nederlandse vrouw, met wie hij, uit protest tegen de conservatieve houding van zijn ouders, niet is getrouwd. Sandra komt uit Papendrecht en wil daar niet weg, ook al heeft Mehem in de nieuwbouw op het aangrenzende Katendrecht een huis gekocht.

Na verloop van tijd raakt Chorus in haar poging om de wijk nauwgezet te beschrijven de focus enigszins kwijt. De personen die ze naast de ontelbare familieleden ook nog eens opvoert (opbouwwerkers, ambtenaren, wijkagenten, politici etcetera) buitelen over elkaar heen. Maar dat neemt niet weg dat Chorus een prachtige pen heeft en knap observeert.

Dat toont zich met name in het laatste hoofdstuk, de oudejaarsviering. Verongelijkte allochtone jongeren staan op een grimmig en in kruitdampen gehuld Afrikaanderplein tegenover de goedbedoelende wijkagenten Lianna en Edwin. Zij dragen kogelvrije vesten.

Froukje Santing