Kunstsector moet zelf eens geld gaan genereren

De minister moet de kunstensector dwingen de eigen inkomsten op te schroeven tot 34 procent, menen Pim van Klink en Arjen van Witteloostuijn.

Robert Redford, de succesvolle Amerikaanse filmacteur, had naar verluidt aan één telefoontje genoeg om president Obama ertoe aan te zetten 50 miljoen dollar van zijn herstelplan aan de kunsten te besteden. Uit Nederland zijn geen vergelijkbare initiatieven bekend en dat ligt niet alleen aan onze minister-president die slechts belbaar schijnt te zijn voor Jan Smit. De Nederlandse kunstensector heeft zich de laatste decennia laten gelden als een uiterst effectieve lobbygroep. Dat komt onder meer tot uitdrukking in een gestaag groeiend budget voor kunstsubsidies in zowel absolute als relatieve zin.

De huidige afwezigheid van kunstenaars in het koor van hulpvragende slachtoffers van de economische crisis doet vermoeden dat we hier te maken hebben met een crisisbestendige sector. Dat wordt bevestigd door een nadere beschouwing van de belangrijkste inkomstenbronnen: gemiddeld 70 procent wordt verkregen uit subsidie, 10 procent van fondsen en 20 procent via eigen inkomsten. Aangezien de meeste subsidies worden verstrekt in het kader van een vierjarenplan, zijn de kunstinstellingen tot 2012 verzekerd van 70 procent van het huidige inkomstenniveau. De bijdragen uit private fondsen staan wel onder druk. Een aantal, waaronder het VSB-fonds, heeft het belegd vermogen zien verdampen zodat minder projectsubsidies kunnen worden gegeven. Maar gelukkig stijgen de beurskoersen alweer. Van de eigen inkomsten vormen de kaartverkopen het leeuwendeel. Vooralsnog ontbreken tekenen dat het publiek het aankomende seizoen in grote mate zal wegblijven. Kunstconsumenten zijn door de bank genomen hoger opgeleid, beter verdienend en opvallend toegewijd aan de kunsten. Sponsorbijdragen uit het bedrijfsleven hebben wel te lijden onder de crisis, maar er zijn maar weinig kunstinstellingen die hiermee te maken hebben.

Per saldo kan worden geconstateerd dat de gesubsidieerde kunsten in Nederland behoorlijk recessiebestendig zijn. Deze comfortabele positie is in hoge mate gebaseerd op structurele overheidssteun. Daarin schuilt precies het gevaar op langere termijn. Prinsjesdag 2009 heeft menige belangengroep aan het denken gezet vanwege de aangekondigde bezuinigingsoperatie van wellicht 35 miljard. Het is nauwelijks denkbaar dat de kunstensector de bezuinigingsdans zal ontspringen, ook omdat het politieke landschap ingrijpende veranderingen ondergaat. Geert Wilders heeft al laten weten korte metten te willen maken met kunstsubsidies omdat kunst een linkse hobby zou zijn. Dat de PVV hiermee wederom trefzeker inspeelt op latente gevoelens in de samenleving, blijkt uit onderzoeken van het SCP uit 1984 en 2008. Kunst wordt daarin, na defensie, als goede tweede genoemd op de ranglijst van beleidsterreinen waarop de overheid bij voorkeur kan bezuinigen. Maar gelukkig is dit doemscenario niet onontkoombaar.

Als de overheid 20 procent bezuinigt op alle subsidies, moeten kunstinstellingen rekening houden met een verlies van inkomen van 14 procent. Dat verlies kan gecompenseerd worden door de eigen inkomsten op te schroeven van 20 naar 34 procent. Dat is geen onmogelijke opgave, zie de landen om ons heen. In Duitsland genereren kunstinstellingen gemiddeld weliswaar nog minder eigen inkomsten, maar in Vlaanderen wordt 38 procent aan eigen inkomsten binnengehaald en in het Verenigd Koninkrijk zelfs 46 procent. Bovendien worden in het Verenigd Koninkrijk met minder subsidie meer voorstellingen en meer bezoek per hoofd van de bevolking gerealiseerd. Cruciaal in het Britse systeem is de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de sector en de instellingen. Dit wordt gesymboliseerd door een fonds dat, gefinancierd door de overheid, de beleidsverantwoordelijkheid draagt. Deze Arts Council beoordeelt instellingen niet alleen op kwaliteit, maar ook op maatschappelijk functioneren en economisch presteren. Ook is daar veel meer oog voor de specifieke kenmerken van de kunstmarkt, die zich onder meer uiten in structureel overaanbod en grote productonzekerheid. Deze eigenschappen stellen hoge eisen aan het kunstmanagement. In het Verenigd Koninkrijk zijn daarvoor hoogwaardige opleidingsmogelijkheden gecreëerd in de vorm van drie Arts & Culture MBAs en enkele leiderschapprogramma’s. Premier Gordon Brown heeft hiervoor in zijn vorige functie als minister van Financiën 12 miljoen pond beschikbaar gesteld.

En wat doet onze minister Plasterk (Cultuur, PvdA)? Hij schuift de problemen vooral voor zich uit. Zijn verre voorganger Hedy d’Ancona heeft, twintig jaar geleden, ondanks felle weerstand een subsidievoorwaarde van 15 procent eigen inkomsten geïntroduceerd. Plasterk lijkt deze bestuurlijke moed niet op te kunnen brengen. Bij zijn aantreden werd hij geconfronteerd met een afspraak uit het regeerakkoord om de instellingen 50 miljoen meer te laten verdienen. Hij koos ervoor deze hete aardappel door te schuiven naar een commissie. Toen deze Commissie Cultuurprofijt vervolgens ferme aanbevelingen deed ter versterking van de sector, nam hij wederom zijn verantwoordelijkheid niet. Hij vroeg koepelorganisaties naar de haalbaarheid en besloot vervolgens de ‘eigeninkomsteneis’ de komende vier jaar met telkens een procent te verhogen. Uiteindelijk zal dus van de instellingen gevraagd worden 19 procent van hun kosten zelf te verdienen, terwijl het huidig gemiddelde al op 20 procent ligt.

Met dit schijnbeleid kan Plasterk ongetwijfeld zonder kleerscheuren zijn termijn volmaken. Hij laat echter een verweesde kunstsector achter die meer dan ooit afhankelijk is van een overheid die over steeds minder middelen beschikt.

Pim van Klink is initiatiefnemer van de Arts&Culture MBA bij Nyenrode en gasthoogleraar kunsteconomie aan de Universiteit Antwerpen. Arjen van Witteloostuijn is als hoogleraar economie verbonden aan dezelfde instelling en de Universiteit Utrecht.