In een klein staafje ijzer zit schoonheid

Ontroering overviel Guus Middag toen hij in Onder onze voeten las over een ijzeren pen die al eeuwen in het veen lag.

Door hetboek ging hij bijna zelf op zoek als ‘pieperman’.

Er ging iets door mij heen, maar ik wist nog niet precies wat, toen ik deze zin las: ‘Op het zuidelijk planken voetpad van Barger-Oosterveld in Drenthe werd bij de opgravingen van 1960 en 1961 een klein ijzeren pennetje gevonden.’ Vraag ik me af wat het was, dan kan ik niet anders dan concluderen dat mijn archeologische zenuw werd geraakt door een opgegraven eeuwenoud planken voetpad. En dan de precisie: Barger-Oosterveld, zuidelijk voetpad. Echte wetenschap. En de ontroering om wat daar eeuwenlang in het veen moet hebben gelegen: een ijzeren pennetje van niet meer dan 4 centimeter lang. Je zou er meer over willen weten, maar dit is voorlopig alles, zo leert de droge mededeling die erop volgt: ‘Hoe of wanneer dat daar terecht is gekomen is niet bekend.’

Hier zien we de essentie van de archeologische tinteling: je vindt iets, en je blijft doorzoeken zolang je nog niet weet wat het is en hoe en wanneer het op de vindplaats beland is. Van deze gedrevenheid hangt de archeologie aan elkaar, zo blijkt op elke bladzijde van het dikke boek Onder onze voeten. Het bijzondere van het ijzeren pennetje is dat het zich bevond in een bodem die met jaarringanalyse heel precies is te dateren: tussen 1350 en 1345 voor Christus, dus 550 jaar voordat in Nederland de IJzertijd begint. Hoe kwam dat ijzeren ding daar dan? Het is, stel ik me voor, zoiets als het vinden van een plastic pingpongballetje in een middeleeuws graf. Het is niet waarschijnlijk dat het pennetje uit Zuid- of Midden-Europa kwam. Het is ook niet waarschijnlijk dat een Drentse smid al op eigen houtje had uitgevonden hoe hij van ijzeroer ijzer moest maken. Is het dan misschien bij toeval ontstaan, bij het uitgloeien en uithameren van een stuk ijzeroer? Men is er nog niet uit.

Ik weet niet wat ik hier nu opwindender aan vind: de vondst of de verklaringen. Het is mogelijk dat het vinden van één zo’n stukje ijzer een heel web aan nieuwe theorieën veroorzaakt – over de productie van ijzer, de uitwisseling tussen stammen in Europa, het begin en het eind van het bronzen en het ijzeren tijdperk, en over de bewoning van de Lage Landen. In de archeologie ligt dit soort nieuwe inzichten voortdurend op de loer. Het is dus een veel levendiger wetenschap dan je op grond van al die saaie potscherven en vuistbijlen zou denken. En dan hoeft het niet zo lang te duren voordat je zelf ook gaat rondscharrelen op verlaten akkers, rondom oeroude onduidelijke heuveltjes in het vrije veld of op een vers bouwterrein, met een pieper in je handen. Dat is de ook onder wetenschappers gebruikelijke naam voor de metaaldetector – die bij het detecteren van metaal piept in de koptelefoon van de pieperdrager. Lekker het hele weekend met de koptelefoon op, om dan op zondagavond thuis te komen met een oude schroef en een verroest stuk prikkeldraad, en af en toe ook met een leuke oude bronzen pot met wat Romeinse munten erin en een gouden fibula (doekspeld).

Het had niet veel gescheeld of alleen al het lezen van Onder onze voeten had een pieperman van mij gemaakt. Het is een enthousiasmerend boek en dat is het geloof ik vooral, hoe raar het misschien ook klinkt, door zijn rommelige opzet. Er is wel een grote lijn. Die volgt keurig de chronologie: van de allereerste mens en de allereerste sporen van bewoning via steen, brons en ijzer tot de eerste schriftelijke bron, de Romeinen, en zo verder. Maar het verhaal daarover is ondergeschikt gemaakt aan wat er omheen te vertellen is: praktijkgevallen, details, foto’s, plattegronden. Regelmatig gaat je mentale pieper af omdat er iets heel interessants voorbij komt. Dat kan een onverklaarbaar ijzeren pennetje zijn van vier centimeter. Of de foto van de prachtige Peelhelm – ‘topstuk van de Nederlandse archeologie’. Ik zie kleine zilveren Vikingvoorwerpen – waarvan we inmiddels weten dat het vervalsingen zijn. En hé, zie ik daar niet een portret van John de Wolf? Nee, het is een standbeeld van Ambiorix, een Eburoonse koning die Caesar versloeg. En dat daar is niet Gordon, maar een bronzen Romeins ruitermasker. Ik zie een auto die in 1929 door het ijs op het IJsselmeer zakte, en een paar jaar later, bij de inpoldering van de Noordoostpolder weer bloot kwam te liggen – inclusief de gestolen lading.

Er zijn telkens verrassingen te vinden. Nederland is een klein land, maar het blijkt toch enorm veel bodem te bezitten – met onverwacht veel schatten erin. Onder onze voeten is een levendig boek voor een breed publiek. En passant vang je ook heel wat vaktermen op, zodat je met een gerust hart eens naar een archeologenborrel kunt, om mee te praten over de wereld van vluchtburchten en terpenlinten, antennedolken, eergetouwscharen en bladspitsen, inhumatie en depositie, situla en krater – en natuurlijk de Federmessercultuur.

Het is ook een wereld die zich gestaag uitbreidt, door nieuwe onderzoekstechnieken. Archeologie is tegenwoordig ook veel CSI, zoals blijkt uit het onderdeel ‘de archeoloog als detective’, waarin het gaat om stuifmeelonderzoek, dendrochronologisch onderzoek, beerputanalyse, isotopenonderzoek en de analyse van verbrande botten. Voeg daar nog bij wat er uit allerlei andere disciplines overgenomen kan worden (over ziektes, klimaat, stammengedrag, DNA) – en je begrijpt dat een minieme vondst veel op kan leveren. Archeologie hangt van schaarste, gaten en onzekerheden aan elkaar. In de poging om die leegte te vullen met zoiets als een zinvol verband lijkt deze zo aardse wetenschap af en toe wel op religie. Het vernuft waarmee iets kleins en anoniems hier van een aannemelijk verhaal wordt voorzien – dat is een vorm van scheppen en leven inblazen; zoals schrijvers doen, of goden.

Evert van Ginkel en Leo Verhart: Onder onze voeten. De archeologie van Nederland. Bert Bakker, 334 blz. € 25,-.