Een soufflé in de oven

Abdelkader Benali schreef een essay over vriendschap en cultuurverschillen. Dat was ook het thema van Hella Haasses Oeroeg uit 1948.

Voor nrc.next maakte Benali een korte versie van het essay.

Links op de foto Teun de Groot sr., rechts vooraan zijn oudste zoon Teun. (Foto uit eigen bezit familie De Groot)

De eerste regel van de vriendschap is dat je de vriendschap zelf nooit ter discussie stelt. Dat zou zoiets zijn als het einde van het sprookje verklappen.

Laat ik hem Nathan noemen.

We leerden elkaar aan het begin van het studiejaar kennen bij een hoorcollege moderne geschiedenis. Het ging over de verschillende nieuwe technologieën die tijdens de Eerste Wereldoorlog waren ingezet, zoals het gifgas, het vliegtuig en de mitrailleur. Enthousiast vertelde de hoogleraar over de werking van gifgas en hoe deze uitvinding een scheidslijn had aangebracht tussen oude en nieuwe oorlogvoering. De zaal hing aan zijn lippen.

Ik begon weg te soezen (voor dit soort colleges was ik toch niet gaan studeren!) en liet mijn ogen over de banken gaan. Er zat een student voorovergebogen een kopie van een stuk uit The New Yorker te lezen. Ik zag mezelf een kort verhaal schrijven, snel, puntig, actueel, en dat opsturen naar de redactie van The New Yorker.

Toch bracht die lezende figuur weer wat helderheid bij me naar boven. Ik scherpte mijn blik om te zien wat hij in handen had. Het artikel ging over het einde van de roman. Ik vond The New Yorker toen nog een briljant tijdschrift. Iemand die dat blad las, moest dus ook wel een beetje briljant zijn. Met zijn geconcentreerde, gestileerde manier van lezen, voorovergebogen over het kopietje, trok hij de aandacht. Deze jongen had branie.

Na het college troffen we elkaar om verder te praten over de wereld. We vonden een rustige plek in de Japanse tuin van de hortus botanicus van de universiteit.

Op een avond vertelde hij me bij het afscheid nemen in de hoofdstraat van de universiteitsstad dat hij morgen bij zijn ouders Poerim zou vieren. Het klonk als een Braziliaans-Hindoestaanse aangelegenheid. Ik vroeg wat het was.

‘Een joodse feestdag.’

‘Hebben joden feestdagen?’

Ik had hem wel tienduizend vragen willen stellen, maar stelde alleen de stomste.

‘Ja. Meerdere.’

‘Wat vier je dan met Poerim?’

Hij vertelde dat er een verhaal in het oude testament stond waarin gewag werd gemaakt van een vrouw, Esther, die het joodse volk dat in Perzië verkeerde, had gered van de vernietigingsdrang van de antisemitische hoveling Haman.

‘Wat doe je op dat feest?’

‘Volgens de traditie word je dan hartstikke dronken.’

‘Leuk feestje. Ben jij joods?’

Ik vroeg het voor de zekerheid, omdat hij het zelf niet had gezegd. Misschien was een deel van zijn familie joods en had hij voor de eer bedankt. Ik wist het gewoon niet.

‘Ja.’

‘Zoveel joden zijn er niet meer in Nederland.’

‘Hier is er één.’

Ik had een mooie vriendschap met een jood opgebouwd.

Thuisgekomen pakte ik een boek uit de kast dat voor de leek het jodendom uitlegde aan de hand van thema’s als geschiedenis, rituelen, feestdagen. In het register zocht ik Poerim op, dat ik vond tussen Pesach en Polen, en begon die avond nog aan mijn zelfstudie van het jodendom.

Ik nam het boek een paar dagen later mee naar het café, om Nathan te laten zien dat ik alvast begonnen was zijn identiteit van een duidend kader te voorzien. Voor het eerst zag ik iets van misprijzen op het gezicht van de man van wie ik wist dat hij boeken meer liefhad dan wat dan ook. Alsof ik een dode muis had binnengebracht. Hij nam het boek in de hand, sloeg het open, bladerde er ongeïnteresseerd door en gaf het aan me terug.

‘Je hebt er niets aan’, zei hij. ‘Gebruik het als onderlegger. Wiebelt je tafeltje?’

‘Er staat toch nuttige informatie in? Over de besnijdenis bijvoorbeeld, ik wist niet dat het zo vroeg gebeurde.’

‘Nuttige informatie is nog geen waardevolle informatie. Het jodendom wordt vaak verkeerd begrepen.’

‘Hoe kan je de besnijdenis verkeerd begrijpen?’

‘Het is niet zo makkelijk samen te vatten als wel wordt gedacht, als gedacht is geweest.’ Die laatste zinsnede sprak hij uit terwijl zijn aandacht op iets anders gericht leek, op een zinnebeeld van verschrikking en angst. Tegen zoveel stelligheid kon ik met dat beduimelde boek dat ik in vliegende vaart had uitgelezen niet op. Dan moest hij het me maar vertellen.

‘Bier?’

‘Bier.’

Op een andere avond zaten we in het café tegenover een Indonesisch uitziende jongen, die met een pak frisdrank op tafel wat fotokopieën doornam. Hij zou mijn aandacht niet hebben getrokken als ik niet had gezien dat hij koranteksten aan het lezen was. In een café waar de rook zwaar hing en het bier geheven werd, was hij de koran aan het bestuderen!

Ik herkende soera’s die ik als kind uit mijn hoofd had geleerd en stootte Nathan aan, om hem te wijzen op die vreemde figuur. Voor we het wisten waren we met elkaar in gesprek. Ik citeerde wat regels uit de koran, hij maakte ze voor me af. Hij bleek een antropoloog uit Maleisië die hier een congres bezocht. Hij had een piepkleine kamer om de hoek van het café, maar lezen en schrijven ging hier makkelijker. We hadden een fascinerend gesprek over antropologie, Nederlands-Indië en de koran.

Toen kwamen we op Snouck Hurgronje, de Leidse oriëntalist die in de negentiende eeuw in Nederlands-Indië het antropologisch veldwerk deed met behulp waarvan de inlandse bevolking geregeerd en gedomineerd kon worden. Hij schreef een boek over zijn verblijf in Mekka, waarvoor hij zover was gegaan om zijn voorhuid op te offeren om de reis als een Arabische moslim genaamd Abd al-Ghaffar, Dienaar van de Alles Vergevende, af te kunnen leggen.

Onze vriend uit Azië had een afgewogen mening over Snouck Hurgronje. En op de een of andere manier leek het alsof hij in zijn voetsporen trad, want hij nam ons op met de vrijmoedigheid van een wetenschapper die een bijzondere levensvorm ziet. Een moslim en een jood in een bruin café, was dat geen onderzoeksonderwerp?

‘Wisten jullie dat Hurgronje hier in Leiden begraven is?’

‘Nee’, zei Nathan.

‘Dan moeten jullie hem maar eens gaan bezoeken, die spion die zichzelf uit kon leveren aan een vrouw, een taal en een cultuur, en toch bij terugkeer in Nederland hoogleraar Arabisch werd. Hoe noem je zo iemand? Een dubbeltalent.’

We moesten lachen. Bij het afscheid beloofden we contact te onderhouden. Ik zou dat niet doen, Nathan zou de volgende dag al een brief gaan schrijven.

Toen we terugliepen naar onze kamers, zei Nathan: ‘We gaan het graf van Snouck bezoeken.’

Het was na twaalven, in de verte blafte een hond en het hek van de begraafplaats was gesloten. Nathan nam het voortouw en klom over het hek. Ik klauterde er achteraan en zei tegen mezelf: ik doe nu iets wat ik nooit eerder heb gedaan, ik overwin hier mijn angst voor graven, honden en mysteries. Welkom aan de andere kant van de wereld, een wereld die je niet kent en waar je nooit naar toe zou hebben gedurfd als niet iemand anders je was voorgegaan.

Na enig zoeken vonden we het graf. We stonden erbij en keken neer op de steen waar zijn naam op stond. We zeiden niets. De hond blafte. Toen klommen we weer over het hek om terug te gaan naar huis.

Dit is een ingekorte versie van een essay over vriendschap en cultuurverschillen. De volledige versie staat in de luxe Nederland Leest-editie van Oeroeg, sinds 23 oktober in de boekhandel verkrijgbaar voor 10 euro.