De waarheid in de spiegel

Het was pas geleden in een bos in de Elzas, op een mooie ochtend, de mist was weggetrokken en de lucht had dat diepe blauw dat zo typerend lijkt voor het najaar: alsof alles zich intensiveert.

Ik stond op een houten bruggetje en keek in het heel stille water met bladeren op de bodem, waarin zich de lucht en de bomen weerspiegelden. Tot aan de toppen van de bomen keek je, al kijkend in de diepte, de blaadjes daar hoog boven in de zon die hier beneden niet kwam, het blauw van de lucht, alles was stralend en precies en scherp afgebeeld in het water. Omhoog kijkend naar de werkelijke toppen zag ik die scherpte niet, ontbrak het doorzicht, het ‘inzicht’ dacht ik.

Wat is een spiegel dan toch voor iets. Dat je het gevoel kunt hebben in een stilstaand water meer te zien dan rechtstreeks met je eigen ogen.

Dit waren ook mijn eigen ogen natuurlijk. Maar ze keken via een omweg en zagen meer.

De dag ervoor had ik voor het eerst in het echt het Isenheimer altaar gezien, in Colmar. Het is een wereldberoemd werk, vooral het gedeelte met de kruisiging. Je ziet er een buitenproportionele Christus op, zijn lichaam afschuwelijk gemarteld en overdekt met wonden, zijn gezicht met de halfgeloken ogen vertrokken in een grimas van pijn, zijn vastgespijkerde handen klauwend in de lucht, zoekend naar houvast. Die handen worden weerspiegeld in de handen van Maria Magdalena die rechts van hem met een van verdriet vertrokken gezicht bij het kruis knielt. Achter haar dreigt de krijtwitte moeder van de gemartelde te bezwijmen, ze wordt opgevangen door een jongeman.

Links van het kruis staan twee symbolen: Johannes de Doper die met zo’n nadrukkelijk vertellend handje staat te wijzen naar het lijden en om wiens hoofd de tekst hangt ‘Hij moet groter worden en ik kleiner’, en een zelfgenoegzaam lam met een kruis in de pootjes en een nette wond in de borst waaruit een fris straaltje bloed een miskelk in spettert.

Veel beroemde kunstwerken heb je al zo vaak op reproducties gezien, dit ook, dat je je bijna niets meer voorstelt van het origineel. Details van het lijdende lichaam, de wanhoop van de moeder – ze zijn bekend. Voor een fameus schilderij staand denk je nogal eens: „Nu ja, dit is het dan in het echt. Mooi.”

Maar hier was het niet zo. Het is een enorm paneel en die afmeting, en ook de voormalige kerk waarin het opgesteld stond en de kou die daar heerste, maakten meteen een heel andere indruk dan een plaatje in een boek in je verwarmde huiskamer.

Het lijden en de pijn zijn op deze voorstelling bijna voelbaar verschrikkelijk. Dit is wat het betekent, marteling. Dit is de ondraaglijke machteloosheid van degenen die zien of weten dat degene die ze het meest liefhebben dit moet ondergaan.

Ik dacht aan een krantenstuk met een verslag uit Afghanistan waarin werd beschreven hoe een vader vastgebonden moest toezien hoe Talibaanstrijders zijn zoon vastbonden, hem de armen en de benen braken en hem daarna afmaakten. Een misselijkmakend verhaal.

Hier zag je het verbeeld.

Wist ik dan niet dat het lijden zó was? Jawel. Zulke krantenverslagen zijn er voldoende, dit is maar een willekeurig voorbeeld. We hebben allemaal foto’s gezien. We hebben pijn gehad en mensen pijn zien lijden.

Toch was dit altaarstuk – even los van de zeer duidelijke plaatsing in de heilsgeschiedenis door de figuren aan de rechterkant – als die vijver in dat bos: ineens was alles veel duidelijker.

„Zo helder is het werkelijk zelden”, dichtte Gerrit Kouwenaar.

En het merkwaardige is: niets aan dat schilderij doet een poging tot serieus realisme. De bijfiguren zijn bespottelijk klein vergeleken bij de gekruisigde, de Doper en het Lam zijn evident symbolisch, de gestalten van Maria en Maria Magdalena zijn onnatuurlijk achterover geknakt en Johannes, die Maria ondersteunt, is heel beeldig in lijn gezet met haar houding en geeft met zijn rode mantel een mooie achtergrond aan haar witte gewaad. Het geheel lijkt zich wel op een speciaal toneel af te spelen met een vaag decor en verder een zeer donkere achtergrond. Links en rechts zijn panelen met heiligen te zien, Sint Sebastiaan en Sint Antonius, die maar alvast op een sokkeltje zijn gaan staan. Onder de kruisiging zien we de graflegging: drie dwergachtige figuren die Gulliver in een te kleine kist proberen te stoppen.

Maar ook daar worden het vernietigende van het verdriet en het enorme van de dood krachtig uitgedrukt.

Vijf eeuwen geleden geschilderd. En het is, dat zie je, eeuwig. Dit schilderij is de waarheid, juist omdat het de waarheid helemaal niet is, maar een sterk gestileerde vorm. Een spiegel die vervormt en dan nog, juist, extra duidelijk laat zien wat je met krantenlezersogen niet kunt zien en niet wilt zien. „Hij weet dat hij geen god is, maar een mens/ die met de dag vergaat. Het maakt hem niet uit./ Het harde ijzer van de spijkers maakt hem uit”, schreef Jorge Luis Borges in zijn gedicht ‘Christus aan het kruis’.

Dat heeft Grünewald waarschijnlijk niet uit willen drukken. Hoewel: zijn kruisiging laat de volledige, zelfs uitvergrote menselijkheid zien, al zeggen de heiligen: dit is wat anders dan als het u of mij overkomt. Maar het is niet wat anders.

Nu ja, het is wel wat anders. Het is geschilderd. Daar zou je God best voor willen bedanken, als Hij er iets mee te maken heeft gehad.

Wilt reageren? Dat kan op nrc.nl/vos(Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)