De collectie-Scheringa is geen collectie

Waarom moet de collectie kunst van Dirk Scheringa eigenlijk behouden blijven, vraagt Reinjan Mulder. Het etiket ‘realisme’ is niet overtuigend. De collectie is een verzameling los zand.

Minister Plasterk (Cultuur, PvdA) heeft vorige week laten weten dat hij hoopt dat de collectie-Scheringa als collectie voor Nederland behouden blijft. Een gezelschap kunstpausen is hem daarin bijgevallen. Hoe sympathiek dat misschien ook klinkt, de argumenten voor behoud zijn wel erg mager. Voor een collectie is het niet genoeg dat er, zoals in het Scheringa Museum in Spanbroek het geval was, een aantal prachtige en unieke schilderijen bijzitten.

Het is ook niet genoeg dat alle schilderijen in de collectie eenzelfde etiket (‘realistisch’) dragen. Realisme komt zonder verdere onderbouwing neer op: ‘kunnen zien wat het voorstelt’. Voor iemand die voor het eerst een kunstmuseum binnenloopt, is dat misschien het eerste wat opvalt: sommige schilderijen ‘stellen iets voor’ en andere niet. Maar wie een beetje beter kijkt, weet dat het in de beeldende kunst toch om andere waarden gaat: de manier van expressie, het levensgevoel dat tot uitdrukking wordt gebracht, het coloriet, de penseelvoering, de emotie die eruit spreekt, de intentie van de maker, het ritme.

Op al dat soort vlakken hangt de collectie-Scheringa als los zand aan elkaar. Ook „het wrange” dat oud-directeur Emily Ansenk nu noemt (NRC Handelsblad, 24 oktober), en de „condition humaine” zijn wel erg onbepaalde begrippen om het behoud van de collectie te rechtvaardigen, zeker als je ziet aan welke schilderijen zij daarbij denkt. Die etiketten passen bovendien net zo goed op veel non-figuratieve kunst. Ook Rothko schilderde de condition humaine. De hele woorden ‘figuratief’ en ‘realistisch’ behoren tot een andere tijd. Met de criteria die Ansenk nu probeert te omschrijven, zou het museum net zo goed videokunst of installaties kunnen aankopen.

Kortgezegd zijn er drie argumenten waarom een collectie als collectie behouden zou moeten worden. Het eerste is dat er een duidelijke samenhang uit spreekt. Het Van Gogh Museum richt zich op één belangrijke schilder en op anderen die met hem qua tijd en werkwijze in verband staan. Dat rechtvaardigt het Van Gogh Museum. Ook de totstandkoming van een collectie kan zodanig zijn dat deze bescherming verdient. Het naoorlogse idealisme van Willem Sandberg – oud-directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam – in een tijd van wederopbouw is nog steeds voldoende reden om zijn aankopen bijeen te houden. Net zoals het oplevende nationalisme eind negentiende eeuw nog steeds een reden is het Rijksmuseum te koesteren. Ten slotte kan een collectie beschermenswaardig zijn als deze getuigt van een visie die ontbreekt in andere collecties.

Op al deze drie argumenten is de afgelopen dagen wel gezinspeeld, maar elke keer ten onrechte. Er was, voor wie in Spanbroek rondliep, nog steeds nauwelijks samenhang te ontdekken in de collectie. Ook de totstandkoming ervan is weinig origineel, via adviezen van de collega-miljonairs Mien en Loek Brons en daarna behoorlijk lukraak uitgebreid met een reeks peperdure, maar weinig verwante namen uit het buitenland. Wat hebben een gemaniëreerde Tamara de Lempicka, een dromerige Jan Mankes en een naar camp neigende Terry Rodgers nu met elkaar te maken? En wat doet een uit een heel andere traditie voortkomende Marlene Dumas daar dan weer tussen? Die verdient zelfs de naam ‘realist’ niet eens.

Goed, Scheringa is nu even een bekende Nederlander, en om die reden mogen we kortstondig nieuwsgierig zijn naar de ontwikkeling van zijn smaak. Maar zijn bekendheid ontleent hij toch eerder aan zijn standwerkerskunsten bij het verkopen van ongedekte leningen aan nietsvermoedende boeren en buitenlui, dan aan zijn worteling in de Nederlandse cultuur of geschiedenis. Iedere nouveau riche heeft vanouds de neiging snel prestige te kopen met het aanleggen van een kunstcollectie of het sponsoren van een volkssport, en Dirk Scheringa deed beide. Daarmee ben je nog geen ervaren collectioneur.

Tot slot: er is in Spanbroek eigenlijk nauwelijks verzameld vanuit een visie, laat staan een visie die in de andere Nederlandse musea ontbreekt. Zeker, er zijn verschillende schitterende individuele werken te vinden van kunstenaars die nergens anders in ons land te vinden zijn. Het is een schande dat geen enkel ander Nederlands museum ooit een Lucian Freud kocht in de tijd dat hij nog betaalbaar was. Maar waarom Spanbroek hem kocht, is nog steeds een raadsel. Freud hoort eerder in het Stedelijk Museum, naast de Baselitz, de Soutine en de Beckmann, of anders in Den Haag. Zoals de Willinks, de Kochs en de Kets niet zouden misstaan in het Centraal Museum in Utrecht of het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem, waar ze al veel langer en wellicht veel doordachter zijn verzameld.

Nederland heeft zo langzamerhand wel genoeg grote musea voor beeldende kunst. Het gaat er nu om ze volledig, actueel en toegankelijk te houden, en om ze aan te vullen met alles wat er nog aan moois op de markt gaat komen. Een veiling van de collectie-Scheringa zou daarvoor een – ongezocht – buitenkansje kunnen zijn.

Reinjan Mulder was kunstredacteur van NRC Handelsblad en publiceerde onder meer Vogels van formaat, over de schilder J.J. Audubon. Hij is als freelance publicist verbonden aan het Cultureel Persbureau.