Cleveland Orchestra: oud en nieuw

Klassiek The Cleveland Orchestra o.l.v. Franz Welser-Möst. 24/10 Concertgebouw Amsterdam.***

The Cleveland Orchestra lijkt van alle Amerikaanse orkesten het meest Europees. Voor het barokrepertoire is Ton Koopman de vaste gastdirigent. En het orkest heeft een traditie in 20ste-eeuws repertoire. Zo klonken bij het vorige Amsterdamse optreden in 1996 de Fünf Orchesterstücke van Schönberg.

Samen met het Koninklijk Concertgebouworkest gaf het Cleveland Orchestra ooit een opdracht aan Wolfgang Rihm. Hij was de leraar van de componerende klarinettist Jörg Widmann, nu ‘composer in residence’ in Cleveland, van wie zaterdag Chor klonk; een van de vele stukken van Widmann (1973) die dit seizoen in Amsterdam worden uitgevoerd.

Ook de Wiener Philharmoniker hebben Widmann volgende maand op hun tournee-repertoire, hoogst ongebruikelijk voor het conservatieve orkest. De musici van de Wiener Staatsoper zitten daarmee op één lijn met Cleveland-chef Franz Welser-Möst. Hij is vanaf het volgende seizoen hun muzikaal en artistiek leider, ooit de positie van Gustav Mahler.

Het sympathieke van Widmann is dat hij de muziektraditie verbindt met het avant-gardisme, net zoals Bruno Maderna en Luciano Berio dat deden. Het begin van Chor voor een ‘zingend’ groot orkest met piano, slagwerk en accordeon, sluit aan bij Mahler – de trompet uit de eeuwige verte in de Derde symfonie.

Verder lijkt Chor een ‘remake’ met microtonen van het intense slot-adagio uit Mahlers Tiende met die hoge, kale, schrille en schrijnende klankvelden. Het is avant-gardisme uit 1910-1911. De opbouw van het fel lichtende stuk is eendimensionaal: crescendo-diminuendo.

Chor sloot ook mooi aan op de ijl-luchtige Nuages van Debussy, waarmee het concert opende, en het glinsterende Vorspiel uit Wagners Lohengrin, de toegift. Hier hoorde men echo’s van de prachtlievendheid van de legendarische Cleveland-chef George Szell.

Welser-Möst lijkt interessanter te programmeren dan te dirigeren. Beethovens Vijfde symfonie klonk soms te onstuimig, vaak te luid waardoor de syncopische ritmiek van de pauken werd overstemd, en vooral veel te gemiddeld voor een Weense dirigent.