Wat veel Nederlandse studenten missen: zelfkennis door studeren in een vreemde taal in een ander Europees land

Veeltaligheid brengt een bijzondere wijsheid met zich mee en dat is de kracht van Europa. Wie nooit gedwongen wordt de wereld te bekijken door de bril van een andere taal, zal de beperkingen van zijn visie moeilijker inzien. Waar de taal niet meer vervreemdt, wordt het eigen wereldbeeld het enige natuurlijke. Ga dus elders studeren.

Hoogleraar ‘filosofie en literatuur’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Doceert tevens filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zijn meest recente boek is ‘Papierverwerkende industrie: lezen als beroep’ (2009).

In 1979, halverwege mijn studie filosofie, ben ik uit Nederland vertrokken naar Parijs. Erasmusbeurzen bestonden er in de verste verte nog niet; alle financiering en bureaucratische rompslomp moest ik zelf regelen. Maar ik ben dat altijd als een van de belangrijkste stappen in mijn leven blijven beschouwen. Dat jaar heeft van mij een Europeaan gemaakt en tegelijk werd ik me er toen pas werkelijk van bewust een Nederlander te zijn. Niet alleen omdat de aarde groter bleek dan Amsterdam. Maar vooral omdat ik ontdekte dat er andere talen bestaan waarin je daadwerkelijk leven kunt, en je je daarbij ongemerkt voelt transformeren.

Misschien is dat een nogal naïeve ontdekking. Dat de wereld met vele tongen spreekt kan geen Nederlander zijn ontgaan. Maar wetenschap is iets anders dan de directe ervaring. Terwijl ik aan de ene kant met kunst- en vliegwerk mijn Nederlandse idioom moest zien te vertalen, bleek ik aan de andere kant aan mijn medestudenten, afkomstig van her en der, ook heel wat uit te leggen te hebben over de denkbeelden die daarin stilzwijgend vervat liggen.

Want taal is niet alleen een spiegel van de wereld, maar ordent die ook en draagt allerlei vanzelfsprekendheden met zich mee, waarvan een spreker zich nauwelijks bewust is. Ik realiseerde mij pas hoe Nederlands ik dacht, toen ik mij moest uitdrukken in een taal die daarop niet langer naadloos was toegesneden.

Verbijsterd keek een Spaanse vriendin mij in dat jaar ooit aan toen ik het weggooien van een paar overtijdige eieren ‘zonde’ noemde. Die uitdrukking kende zij wel, maar werd in haar taal gebruikt voor iets wat juist zó lekker was dat het wel zonde moest zijn. In ons levensgevoel opende zich door dat woord een heel panorama van economische en theologische tegenstellingen – waarna een autochtone Franse vriend ons pas het juiste woord bijbracht: dommage. Dat klonk met zijn bijklank van schadecalculatie en mathematische exactheid plotseling heel passend Cartesiaans – tot een Duitse vriend zich daar tot ieders verrassing (Schade!) ook heel goed in bleek te kunnen terugvinden.

Zo werd mijn buitenlandse verblijf allereerst een les in het afleren van vanzelfsprekendheden en in verwondering over mijn eigen identiteit. Ik werd door die ervaring niet minder Nederlands, maar realiseerde mij wel voor het eerst hoe vreemd dat Nederlanderschap eigenlijk was. Langs de omweg van de taal leerde ik naar mijzelf te kijken als naar een ander en begreep toen pas wat (of wie) ik eigenlijk was. Na Parijs volgden Madrid en – na een korte tussenstop in Amsterdam – Brussel, waar ik sinds bijna een kwart eeuw woon. Alles bij elkaar vormen die verblijfplaatsen een soort West-Europese as, en dat is niet toevallig. Want als iets zich sinds 1979 in mijn bewustzijn veranderd heeft, dan ligt dat wel in het besef burger te zijn van Europa. Dat zich langzaamaan aaneensluitende werelddeel is een vertrouwd middenveld geworden tussen de gedachtenloze identiteit die ik achter mij liet en de onmetelijkheid van het ‘andere’ dat ik leerde ontdekken. In de eerste ‘besta’ je niet omdat je daarin als vanzelf samenvalt met nationale vanzelfsprekendheden. En in de tweede dreig je teloor te gaan omdat ‘de wereld’ voor een dergelijke ervaring al snel te groot en te breed is.

De vreemdheid die ik in Parijs ontdekken moest, om die vervolgens ook in mijzelf te tegen te komen, had geen wereldmaat, maar was van Europese omvang. Het continent vormde de bufferzone waarin alles anders mocht worden omdat het de dreigende leegte van die vreemdheid niettemin inperkte. Europa was het culturele vangnet dat mijn verwondering mogelijk én draaglijk maakte.

Die vervreemding was niet schroeiend radicaal, maar bleef iets moederlijks houden dat mij en mijn Parijse lotgenoten precies dáárom kon uitnodigen tot het avontuur van de wederzijdse verkenning. Binnen de grenzen van het continent konden we het ons permitteren het allereigenste in de waagschaal te stellen en zo Europeanen te worden, ergens tussen wereld- en staatsburger in.

Want hoe onzichtbaar en veelvuldig betwijfeld ook, er bestaat zoiets als een Europese geest. Die toont zich in de vanzelfsprekendheid waarin wij omgangsvormen, waarden en zelfs een zekere geschiedenis blijken te delen, op een aanzienlijk dieper vlak dan dat van onze nationale eigenaardigheden. Ze vormen een soort continentaal onbewuste dat nauwelijks aan te wijzen of te benoemen valt – want zo ongrijpbaar is nu eenmaal élk onbewuste. Ze behoren misschien nog niet helemaal tot het rijk van de taal.

Zodra er woorden klinken, klinkt immers ook het verschil op. En dan blijkt dat de Nederlandse visie op de wijze waarop levensproblemen moeten worden opgelost nogal haaks staat op wat Spanjaarden of Finnen daarvan vinden. Die verschillen reiken verder dan alleen de formulering of het woordgebruik; ze vallen samen met de manier waarop de taal zich verhoudt tot de werkelijkheid zélf. Omdat iedere taal de wereld op haar eigen manier ordent, klinkt tussen de talen onvermijdelijk het misverstand mee. Dan komt er spanning in de situatie, want er is iets wat wringt.

De Europese cultuurgebieden moeten in hun onderling verkeer dus wel als tegengestelden verschijnen. Dan staat de Deen onbegrijpend tegenover de Andalusiër, en kijkt zelfs de Belg met verdwaasde ogen naar zijn noorderburen. Maar wie op een dergelijke manier naar de Europese identiteit kijkt, maakt een methodische vergissing.

Wat de Europese landen, taal- en cultuurgebieden met elkaar verbindt licht pas op wanneer zij gezamenlijk op hun beurt tegenover een andere cultuur komen te staan. Pas als reizigers door Afrika of Azië ontdekken wij hoe onherleidbaar ‘Europees’ wij zijn, en komen de Italianen, Portugezen of Zweden die wij ontmoeten ons plotseling veel minder exotisch voor. Ontegenzeglijk behoren we met één klap weer tot dezelfde beschavingsruimte en ontdekken we elkaar zoveel béter te verstaan dan de wereld die ons omringt.

Ongetwijfeld is dat contrast met (vooral Noord-)Amerika minder groot. Zowel de talen als de culturen zijn daar nu eenmaal voor een belangrijk deel vanuit Europa naartoe geëxporteerd. Maar ook al liggen onze opvattingen dichter bij elkaar en is datgene wat er gezegd wordt voor ons gemakkelijker verstaanbaar, ook daar stuiten we al snel op vanzelfsprekendheden die wij helemáál niet vanzelf vinden spreken.

Zelfs ten aanzien van de Verenigde Staten, waarmee we avond aan avond op de tv worden geconfronteerd, is de kloof dieper dan we op grond van die ogenschijnlijke gemeenzaamheid mogen vermoeden. Dan blijkt de Amerikaanse geest zich plots mordicus te verzetten tegen een nationale ziekteverzekering en fanatiek vast te houden aan het recht van de burger een wapen te mogen dragen. Voor het gros van de Europeanen is dat even onbegrijpelijk als voor een flink deel van de Amerikanen volstrekt vanzelfsprekend.

Pas op wereldschaal doet zich dus de Europese identiteit gevoelen die zo pijnlijk afwezig lijkt zolang Europeanen zich blindstaren op elkaar. Als we op Europees vlak pas tegenover de ander weten wie wij zelf zijn (zoals ik in Parijs, Madrid en Brussel mocht ervaren), dan geldt dat voor het Europese zelfbesef in de confrontatie met de aardbol als geheel, zoals de wereldreiziger ontdekt.

Juist tegenover het Amerikaanse cultuurgebied, dat vrijwel geheel engelstalig is, springt één kenmerk van de Europese cultuur echter scherp in het oog. Ze wordt doorsneden door een taaldiversiteit waarachter haar eenheid zich des te moeilijker laat terugvinden. Dat maakt haar gecompliceerder en ongetwijfeld ook zwakker. Want een snelle mobilisatie van het Europese hart wordt daardoor evenzeer in de wielen gereden als een doortastend optreden op politiek vlak. Europa’s veeltaligheid lijkt haar eenheid bij voorbaat te doorkruisen en een gevoelige rem te zetten op haar economische en politieke daadkracht.

Dat heeft in veel landen het aanvankelijke enthousiasme voor het Europese project danig aangetast. Euroscepsis is de overheersende toon geworden in een debat waarin alleen nog maar hoon opklinkt bij de vaststelling dat verscheidenheid de grootste kracht van dit werelddeel uitmaakt.

Toch verdient die enigszins sleets geraakte slogan serieus te worden genomen. Want hoe onhandig veeltaligheid ook mag zijn, ze brengt wel een bijzondere wijsheid met zich mee. Ze behoedt het continent voor de blindheid van de ééntalige cultuur, die in veel grotere mate ook een monocultuur is. Wie nooit gedwongen wordt de wereld te bekijken door de bril van een andere taal, zal veel moeilijker inzien dat hij denkt en spreekt vanuit een specifieke visie op de werkelijkheid. Waar de taal niet meer vervreemdt, wordt de cultuur onaantastbaar en wordt het wereldbeeld daarvan vanzelf de enig natuurlijke.

Daarom is de Europese cultuur bij uitstek de cultuur van de scepsis. Niet van euroscepsis, die juist gevoed wordt door het verlangen naar een éénduidige, flukse en daadkrachtige cultuur en politiek. Maar van een filosofische scepsis die zich realiseert dat niets vanzelf spreekt. De traagheid die daarvan het gevolg is, kan dan ook in haar voordeel uitvallen. Dan neemt ze de vorm aan van de bezonnenheid die men politici en economen zo node zou toewensen in een wereld die haar overhaaste beslissingen maar al te vaak bezuren moet.

De geschiedenis van de Europese eenwording is daar zelf een goed voorbeeld van. De onwaarschijnlijk lange periode van onderlinge vrede waarin de EU zich vanaf haar begin heeft mogen verheugen, is mede te danken aan die sceptische traagheid. Al die tijd heeft zij voorkomen dat overhaaste woorden leidden tot wapengekletter, waarbij het bloed altijd sneller vloeit dan men denkt.

In de stad waar ik woon, Brussel, is dat besef misschien sterker aanwezig dan waar ook. De stad is niet alleen het middelpunt van de Europese eenwording geworden, ze is ook het toonbeeld van de veeltaligheid waarin Europa geen handicap, maar een rijkdom zou moeten zien. Van huis uit al tweetalig, hoort ze haar inwoners nu spreken in alle tongvallen die de EU rijk is (om van niet-Europese talen nog maar te zwijgen). Toen zij nog maar nauwelijks spreken kon, informeerde mijn dochtertje bij elk bezoek aan vrienden al welke taal er in dát huis nu weer gesproken werd.

Zo ge-europeaniseerd zal het er voor de meeste inwoners van de Unie niet aan toegaan en vermoedelijk wensen ze dat ook niet. Maar wil het ooit nog wat worden met het Europese bewustzijn, dan zou men een dergelijke ervaring wel toewensen aan de jonge mensen die zich nu universitair aan het vormen zijn en de cultuur van morgen moeten dragen. En dan is het spijtig, ja zelfs zorgelijk dat slechts zo’n klein gedeelte van de Nederlandse studenten de mogelijkheden van een buitenlands studieverblijf aangrijpt die het Erasmusprogramma biedt en die ik in 1979 allemaal nog zélf moest creëren.

Misschien wordt het tijd voor een minder vrijblijvend aanbod en zou een studiejaar in een ander Europees land een vast onderdeel van het curriculum moeten worden. Want de Europeaan van de toekomst kan alleen maar ontstaan door de schok van de bevreemding, waarin alle overtuigingen door elkaar worden geschud en iemand zich er pas werkelijk van bewust wordt wie hij is.

In dit Bildungs-idee, dat je een moderne vorm van de klassieke Grand Tour zou kunnen noemen, gaat het niet in de eerste plaats om het opdoen van academische kennis, maar om culturele ervaring. Naar het buitenland gaat men tenslotte niet in de eerste plaats om te stude ren, maar om te leren. Een universiteit die zich van haar vormende roeping bewust is weet dat dat niet altijd hetzelfde is.

Uiteindelijk zal de nieuwe Europeaan gevormd worden in een intiem contact van culturen, talen en personen, die hun eigen identiteit niet verliezen maar wel gezamenlijk verder moeten.

Zo is het altijd al geweest – maar nu gaat het voor het eerst zonder bloedvergieten. Als dat de banale werkelijkheid is van het project van het verenigde Europa, dan is het tegelijk ook zijn grootste glorie. Het continent zou er trots op moeten zijn.

Dit is een bewerkte en ingekorte versie van een essay uit de bundel Krachtpoef Europa, de herfsteditie van Christen Democratische Verkenningen (CDV), die vorige week bij uitgeverij Boom verscheen.