Toe maar, drie garnalen

Een man met zout op zijn huid wil zijn garnalencocktail zelf vangen. In gevecht met de elementen. ‘De oogst: weer wat kluwen wier.’

Op het winderige en buiige strand bij Noordwijk lopen twee soorten mensen. Het ene type denkt: wat doet die kerel in dat waadpak in godesnaam daar in de branding? En het andere slag zie je denken: ik wou dat ík daar in gevecht met de elementen met een sleepnet in de weer was. Allicht ten overvloede: het eerste type is overwegend vrouw, het tweede man. Want vooral mannen hebben iets met vissen vangen en waterkanten in het algemeen. Volgens de Britse schrijver Redmond O’Hanlon heeft dat een Freudiaanse grond – iets met de zuigende werking van drassige oevers. Er zit dan wel zout op mijn huid, maar ik zeul hier geen loodzwaar net achter me aan met andere motieven dan gewoon kijken of een zelfgevangen garnalencocktail mogelijk is. Gewoon, om te kijken of dat kan.

Het fijnmazige garnalennet was een toevallige vondst op internet, afgelopen voorjaar. Het heeft een opening van anderhalve meter en een lengte van ongeveer vier. Het loopt uit in een punt, waar een geknoopt touw een opening dichthoudt. Een horizontale plastic buis en twee verticale planken houden het net open. De onderkant van de opening is voorzien van een ketting die, over het zand schrapend, garnalen en platvissen omhoog en het net in jaagt. Het slepen zelf moet met touwen, die je om je schouders slaat.

Het ‘kornet’, zoals het officieel heet, kostte zeventig euro. Op de vismarkt van Den Oever koop je daarvoor meer dan tien kilo ongepelde garnalen.

Die passerende vrouwen die virtueel met hun vinger naar hun voorhoofd wijzen, hebben ergens ook wel gelijk: het ís een beetje gekkenwerk. Het zware net moet evenwijdig aan het strand worden gesleept, zo diep mogelijk, om garnalen en platvisjes te vangen. Maar bij deze wind en dit opkomende tij staat er een onvoorspelbare golfslag. En daardoor komen sommige brekers hoger uit dan de bovenste rand van het kunststof waadpak. Dat zit strak, zodat vollopen uitblijft – en verzuipen ook.

Zweet sijpelt hinderlijk de ogen in, maar het spattende water, de wind in het gezicht en het ploeteren door de zachte zandbodem maken veel goed. Dit voelt na een kwartiertje al gezonder dan een hele ochtend sportschool.

Na een trek van ongeveer honderd meter heen en honderd meter terug, sleep ik het net het strand op, maak de knoop los en schud het leeg. Ai, dat valt tegen. In het uiteinde van het net zitten een paar schelpen, slierten wier en twee garnalen – nog niet genoeg voor een halve theelepel cocktail. Snel terug het water in voor een volgende trek, want misschien dat garnalen zich in een soort scholen op de zandbodem ophouden en dat het net deze nét heeft gemist.

Terug in de golven valt het oog twintig meter verderop op een soort kleine grijze boei die opeens omklapt en dan kopje onder gaat. Een zeehond! Misschien is het inbeelding, maar er lijken veel meer robben aan de Nederlandse kust voor te komen dan, pakweg, dertig jaar terug. Misschien is dat te danken aan het moederende werk van Lenie ’t Hart – de Gretta Duisenberg van de zeehonden. Bij Noordwijk, aan het Walcherse strand, zelfs onder de industrierook en de aanvliegroute van Schiphol bij de pieren van IJmuiden zie je ze.

De zeehond is hier, op twintig, dertig meter uit de kant, niet het enige wildleven dat zich laat bekijken. Ook scheldende scholeksters schieten langs en aalscholvers houden de nettensleper vanuit een half afgezonken positie, met hun nek als periscoop boven de golven uitstekend, in de gaten. Mooi. Zoals de dichter Menno Wigman een keer zei toen ik onderweg voorstelde om buizerds op paaltjes langs de snelweg te turven: „Een bioloog is nooit alleen.” En zo is het.

Na weer twee trekken van honderd meter begint het waadpak ook aan de binnenkant te zweten. Naar de kant maar weer. Deze keer vallen er enige tientallen kwalletjes, om hun vorm en grootte zeedruif genoemd, in het zand. En, toe maar, drie garnalen. Meer om de grijnzende toeschouwers te ontlopen dan om garnalen te vangen plons ik snel weer de branding in.

Het net begint nu wel erg aan de schouders te trekken. Het zilte geploeter zal er vanaf het strand best uitzien als een Mesdag, maar ik voel me zo langzamerhand als een van die Wolga-slepers op het schilderij van Repin. Na twee alles-of-niets-trekken van honderdvijftig meter naar het noorden en het zuiden, zeul ik het net weer het zand op.

De bulkende buidel voor de knoop belooft eindelijk een mooie vangst. De drie zeemeeuwen die net buiten grijpbereik op het water dobberen stemmen zonodig nog optimistischer. Nieuwsgierige strandgangers kijken weer toe hoe de inhoud op het zand valt. De oogst: weer wat kluwen wier, een assortiment schelpen, twee zwemkrabbetjes. En weer maar drie garnalen.

Ik grijp de krabbetjes aan hun schild en zet ze terug in het ondiepe water. Met hun platte achterpoten peddelen ze weg. Een grote mantelmeeuw volgt de handelingen met felle gele ogen, zwemt de krabbetjes een metertje achterna en slaat toe. Een krabbetje verdwijnt krakend in de snavel. Fruits de mer. Hij wel.