Sprekers, schrijvers, bellers, sms'ers, chatteraars, twitteraars: allemaal kleine dictators

De hedendaagse multimediale burger volgt, aan alle kanten ingeplugd, de wereld op de voet. Maar omdat alles op grote afstand gebeurt, schiet hij met een killersblik zijn dooddoeners af op de menigte om te laten zien dat hij echt bestaat. Iedereen praat en er zijn geen luisteraars dus elke uiting is even belangrijk. Een communicatiecrisis.

Schrijver. Van onder meer ‘Zuidland’ (1990, bekroond met de AKO Literatuurprijs 1991), ‘Haagse liefde & De vieze engel’ (1996), ‘Schaduwkind (2003, bekroond met de Max Pam Award), ‘Vladiwostok!’ (2007), ‘J. Kessels: The Novel’ (2009).

Wie zich boven de mensen verheft, bijvoorbeeld door op de Eiffeltoren te gaan staan of achter een schrijftafel plaats te nemen, verbaast zich erover hoe goed mensen om elkaar heen kunnen krioelen. Het heeft iets van mieren, altijd bezig – al blijft het een raadsel waarmee. Voortdurend dreigen ze te botsen, maar tijdens de observaties vloeit er nooit echt bloed.

In het klassieke verhaal Erostrate uit Le Mur van Jean-Paul Sartre heeft een man het plan opgevat om af en toe zo’n willekeurig krioelende passant uit zijn lijden te verlossen. Hij heeft niet alleen het plan, hij voert het nog uit ook.

Dit verhaal las ik voor het eerst als gymnasiast, voor mijn boekenlijst Frans, en het heeft mij nooit verlaten.

Niet dat ik, zoals deze Paul Hilbert, ooit een revolver heb gekocht om door de Montparnassebuurt te dolen, speurend naar gestalten om te executeren. Maar het idee – deze onmacht die transformeert tot almacht – heeft een duizelingwekkende aantrekkingskracht op mij uitgeoefend. Nog steeds kan ik, als ik in een trein zit, passagiers ‘uitkiezen’. Of vanaf een terras voorbijgangers ‘verrassen’. In gedachten zie ik, op kunstige wijze vertraagd als in een actiefilm, de kogels inslaan en de plek veranderen in een lege plek. Opgeruimd staat netjes.

Wat beweegt een alom gerespecteerd auteur als ik ertoe om zomaar te bekennen dat hij in zijn zieke brein graag willekeurige burgers ziet omkomen, sterker nog, dat hij daarbij graag een handje wil helpen? Ik zal daar straks graag op terugkomen, zegt men in zo’n geval.

Ben ik overigens zo’n uitzondering? Bij mijn weten is deze gangbare narcistische almachtsfantasie inmiddels uitgegroeid tot een hedendaagse mythologie, die ik in talloze films, van Buñuel tot de bedenkelijkste B-film, ben tegengekomen.

In de meeste van deze uitingen, zo ook in ‘Erostrate’, krijgt de protagonist het klassieke terroristenprofiel mee. Herostratus – op wie Sartre met zijn titel doelt – is een provocateur uit de klassieke oudheid die dacht: ik kan misschien geen tempel bouwen, maar ik kan er wel een in brand steken. Niemand zal meer weten wie hem ontwierp, iedereen zal weten wie hem liet afbranden. De moderne Herostratus, Paul Hilbert, post dan ook voorafgaand aan zijn daad 102 brieven aan 102 schrijvers in de hoop dat die hem postuum de bestaanserkenning zullen brengen die hij bij leven moest ontberen.

Zo wordt het graag voorgesteld: de anonieme, geïsoleerde eenling die in afzondering zijn daad beraamt. Iemand die buiten de maatschappij staat. Niet een van ons. Een ander. Een vreemde.

Hoezo een vreemde, een buitenstaander? Het enige wat Paul Hilbert van ons onderscheidt, is dat hij het doet. Maar wat is een daad anders dan het tot uitdrukking brengen van een gedachte? Men kan de daad bestraffen en door gevangenisstraf herhaling van de daad voorkomen. Maar de gedachte is daar en dankzij de daad niet meer weg te denken. De daad heeft de gedachte expliciet gemaakt, en hij wordt van hoofd tot hoofd in alle eenzaamheid verder gedacht – totdat iedereen hem, wellicht vol afgrijzen, tot zich heeft genomen.

De mogelijkheid de mensheid hier of daar wat ‘uit te dunnen’ is een algemeen gegeven geworden. Soms, wanneer wij een metro of een vliegtuig binnenstappen, voelen wij ons een willekeurig doelwit. Soms ook, misschien zelfs in dezelfde metro of hetzelfde vliegtuig, kunnen wij zelf degenen zijn die in onze almachtig-onmachtige gedachten hinderlijke en overbodige medereizigers op efficiënte wijze ‘uitschakelen’.

Het is allemaal een kwestie van hoog en laag, leert Sartre. En daar heeft hij meteen een niet onbelangrijk sociaal ordeningsprincipe te pakken. Gelijkheid en hiërarchie, daar is veel maatschappelijke frustratie op terug te voeren.

„Men moet de mensen van bovenaf bekijken”, zo opent Sartre zijn verhaal, bij monde van zijn hoofdpersoon. En meteen bespeur je als lezer een zekere wreedheid. Er klinkt een bepaalde meedogenloosheid in door. Die mij meteen aanspreekt, moet ik zeggen.

Van bovenaf blijft er van de veelgeroemde menselijkheid weinig over. „Al hun effect is berekend op waarnemers van een meter zeventig. Wie heeft er ooit nagedacht over de vorm van een bolhoed gezien vanaf een zesde etage?” De blik uit de hoogte ontmenselijkt. Er blijft van niemand iets over. Niets, niemand zijn ze. Waarom zou je ze dan ook niet meteen opruimen? Uitschakelen. Weg ermee. Ze bestaan toch niet. Niet echt.

Pas als iemand ophoudt echt te zijn, kun je hem doden. Ook in gedachten. Vertel mij wat, ik ben schrijver, dus ik weet wat dit doden inhoudt. Het is mijn werk.

Van de betreurde volksschrijver Gerard Reve is bekend dat hij elke avond met kaars en kroontjespen naar boven ging om in zijn eentje gezellig doodvonnissen te gaan zitten schrijven.

Maar de door Sartre beschreven killersblik van bovenaf doet ook denken aan de blik van de hedendaagse multimediale burger, die, aan alle kanten ingeplugd, van onafzienbare afstand de gebeurtenissen in de wereld op de voet volgt. Zappend, surfend, alles en iedereen met één klik verwijderend uit zijn bewustzijn, waar hij heerst en anderen niet echt bestaan.

Het hele verhaal van Sartre speelt zich op twee niveaus af: op de zesde (en bovenste) etage en op straat, gelijkvloers dus. „Wanneer men op gelijke hoogte met de mensen is, is het veel moeilijker ze als mieren te beschouwen: ze raken je.”

Deze dubbele moraal is erg interessant. Onmenselijkheid is kennelijk een kwestie van een paar trappen. Zodra Paul Hilbert afdaalt, verliest hij zijn uitzonderingspositie en wordt hij een van de anderen, een tussen de anderen. Als zij mieren zijn, is hij er ook een. Hij zet zijn plan door, omdat hij er nu eenmaal aan begonnen is, maar het wordt iets anders. De gebeurtenissen worden niet meer door hem bepaald, hij maakt er, net als iedereen, deel van uit en moet zich maar zien te redden.

Als hij daar in de rue Delambre en op de boulevard Edgar-Quinet ronddoolt met een revolver in zijn broekzak (‘als een erectie die hij met moeite kon verbergen’), herinnert hij zich zijn soevereiniteit, maar kan haar daar op straat niet meer terugvinden. Het gaat buiten hem om. Hij knalt iemand neer, rent weg, lost nog een paar schoten, maar het is niet wat hij van bovenaf voorzien had. Het is een puinhoop. Hij wil terug naar zijn huis, terug naar boven – waar niemand anders bestaat, niemand anders dan hij. Maar de terugweg is afgesloten. Hij vlucht in een restaurant een wc in, sluit zich daar op.

Hij begon zo mooi, hoog boven de mensen, en nu zit hij vast in een plee, met buiten bij de urinoirs en de wastafels de menigte die hem wil vertrappen, „hem misschien zelfs wel een oog wil uitsteken”. Het oog waar hij zich zo superieur mee waande.

Je kunt dat verschil tussen de almacht op de bovenste verdieping en de onmacht beneden op straat op allerlei manieren uitleggen, zo ook als een metafoor van de verhouding tussen de droom der dictatuur, waar de wil wet mag zijn, en de weerbarstige praktijk van de democratie.

In die zin werpt het verhaal ‘Erostrate’ een verrassend licht op de tegenwoordige politieke verwarring, waar hiërarchie en gelijkvloersheid nogal eens door elkaar worden gehaald, zodat discussies veelal vanaf de zesde verdieping met elkaar worden gevoerd en idealen meestal plompverloren op straat worden verkondigd.

Wie wat waar zegt doet er niet meer toe. Dat het wordt gezegd, bepaalt de nieuwswaarde.

Het probleem dat Sartre beschrijft, is een communicatieprobleem. Als Paul Hilbert niets over wilde brengen, was er niets aan de hand geweest. Dan was hij bolhoeden blijven bekijken die van bovenaf plat bleken te zijn. Maar hij wilde iets van zich laten horen, hij wilde de mensen iets laten weten.

Iets laten weten, het maakt niet uit wat. Als het maar vernietigend is. De killing fields van de moderne communicatie. Net als de dictator is de terrorist uit op vernietiging van zijn publiek. Als ze hem niet wensen toe te juichen, dan moeten ze maar vernietigd worden. Als hij niet bestaat voor ze, dan moeten ze gestraft worden. Dan zullen we eens zien wie er wel en wie er niet bestaat.

Een antwoord wordt niet meer verwacht. ‘Die punt zetten wij wel zelf.’

Het doet denken aan het ‘Less bread!’ en ‘More taxes!’ waarmee de menigte zichzelf en anderen in verwarring brengt in de wereld achter de spiegel, waar kleine Alice per ongeluk belandt in Through The Looking-Glass. Alice fronst haar wenkbrauwen, maar het gepeupel laat zich niet van de wijs brengen. Als zoveel mensen hetzelfde zeggen, zal het heus wel een beetje waar zijn.

Desastreuze onzin is niet meer weg te denken uit het hedendaagse medialandschap. Alles wat lekker bekt, is fit to print. „Zijn we in de uitzending?” Nou, gaan met die banaan, zou ik zeggen. Zonde om die authentieke vuilspuiterij kapot te checken met droge, saaie, kijkcijferonvriendelijke feiten.

‘Wouter Bos heeft doelbewust de DSB Bank naar de knoppen laten gaan.’

‘Zijn vriendje Zalm kon wél geld krijgen.’

‘De PvdA heeft het gedaan.’ Wat? ‘Nou sowieso, alles. Die lui zitten overal tot hun nek in.’

‘De babyboomers hebben eerst gewacht tot ze zelf in de AOW zaten, en nu schaffen ze ’m gauw af.’

‘Geert Wilders is een groot gevaar voor onze democratie. Met die man praat ik niet.’ Niet echt democratisch, dunkt me. ‘Is hij wél democratisch dan?’

Het zijn de voldongen feiten van het reflectieloze reflex-denken, dat geen denken is maar reageren. Eén druk op de muis en de uitgekakte reactie is al verzonden. Alles wat niet direct een reflex oproept, is saai en wordt weggezapt. Een gedachte moet in een nanoseconde kunnen worden gesnapt, anders is hij sowieso te ingewikkeld.

‘Ik mag ’m wel, die Scheringa.’

‘Ik vind het een glibber.’

Einde discussie.

Het is dit soort terroristisch-dictatoriaal spreken dat in het openbaar gangbaar is geworden. Woorden zijn in toenemende mate laatste woorden, bedoeld om de ander, iedereen de mond te snoeren. Weg te vagen. Woorden om iemand neer te knallen, af te knallen. Om een einde te maken aan de discussie. Andere mensen bestaan niet, en als ze bestaan, dan moeten ze dood.

Het is spreken alsof men alleen is. Men verwart de eigen afzondering met de omgeving van anderen. Men waant zich alleen in zijn eigen almacht-onmacht, maar men is het niet.

Democratie is immers de gedeelde werkelijkheid, de plek die je met anderen deelt. Als je dat niet doorhebt, ga je er kennelijk vanuit dat die anderen iets afpakken wat van jou is. En dan ga je heel hard praten, alsof je hier de enige bent die echt bestaat.

Als er sprake is van een crisis, is er een communicatiecrisis. Er zijn te veel sprekers, te veel schrijvers, te veel bellers, sms’ers, chatters, twitteraars, allemaal kleine dictators, en allemaal willen ze laten weten – wat eigenlijk? Dat ze bestaan, om te beginnen. ‘Hallo, met mij even.’ En dan komt het. Te veel mensen laten ongevraagd weten wat ze denken en wat ze doen, wat ze willen en zullen, wat ze wouden en wat ze zouden, iedereen ontvouwt zijn plannen, iedereen toont zijn kunnen, zijn goede wil, zijn kwade wil, iedereen wil het laten zien, iedereen gooit het eruit, legt het op tafel, kwakt het in je gezicht. Maar waar zijn de lezers, de kijkers, de luisteraars? Wie moet dat allemaal aanhoren, aanschouwen, ondergaan?

Zonder luisteraars kan er ook geen onderscheid meer worden gemaakt, is alles even belangrijk geworden. Er is niemand die nog tegenspreekt. Iedereen braakt zijn eigen verhaal uit.

Dat is het probleem, ook voor de democratie. Democratie is de illusie dat je anderen iets kunt opleggen, de realiteit is echter dat anderen jóú iets opleggen. Democratie is dan ook het ideale stelsel om ervoor te zorgen dat niemand iets te vertellen heeft. De eerlijke verdeling van onmondigheid en het ongenoegen hierover. De perfecte anti-dictatuur.

Maar als niemand daarvan wil horen, omdat we het liefst de hele tijd zelf aan het woord zijn, dan houdt het op, dan werkt het niet.

Iedereen zit op zijn eigen zesde verdieping te heersen, met die killersblik van hen. En bij tijd en wijle rennen ze de trappen af om de mensen op straat ‘op niet mis te verstane wijze’ te laten weten dat ze echt bestaan. Het is een klacht, een woedende aanklacht die eruit komt als een veroordeling. Zie ze, al die mensen op hun bovenste verdiepingen, zie ze de straat op rennen en tot bloedens toe tegen elkaar aan botsen. ‘Hé, het bloedt echt.’

Van bovenaf zag het er zo mooi en overzichtelijk uit, maar in de straten is het een puinhoop van schreeuwende mensen die allemaal gelijk hebben.

En er is niemand die hen kan horen, want iedereen is als een razende in gesprek.

Zestien miljoen killers in een koninkrijk van niks.