Schrijftafelingenieur

Karel Knip

Terug naar de geuren van vorige week. Het was een week met veel noordelijke winden en die bliezen een typische, niet onaangename lucht over Amsterdam. Na wat los speurwerk werd het bedrijf Cargill aan de Coenhaven als bron aangewezen. Kennelijk komt de geur vrij bij de overslag van graan of meel, is hier genoteerd. Daarna ging het stukje verder met een beschouwing over de vorm van de geurpluim en nog zo wat.

Het is maar de vraag of het overslag is, mailt lezer H.B. Hij had ooit een rondleiding gehad bij Cargill en gezien hoe zonnebloemolie en sojaolie met behulp van hexaan werd gewonnen uit ‘pulp van eerste persing’. Die pulp wordt uiteindelijk in een toaster gedroogd en daarbij komt een zeer karakteristieke geur vrij. Dus misschien is het dat wat Amsterdam ruikt bij buiig weer.

Veel andere lezers meenden dat het niet Cargill was dat de geur verspreidde maar de Honig-fabriek in Zaandijk of de Amylum zetmeelfabriek in Koog aan de Zaan. Het is windtechnisch niet helemaal uit te sluiten (de kruispeiling die Cargill aanwees was aan de grove kant) maar met 12 km was de afstand tot de waarnemer nogal groot. Ook stemt de beschrijving van de geur (wee en stinkend) niet overeen met wat er in Amsterdam geroken wordt.

We houden het er voorlopig op dat het Cargill was. Op zo'n 3,5 km afstand was het geurspoor van de onderneming zo’n 400 meter breed. Daaruit valt af te leiden dat de pluim onder een hoek van ongeveer 6,5 graden uiteenwaaierde. De vraag was: was dit een gangbare waarde en hoe zou de geurconcentratie in de pluim verlopen.

Een ongekend aantal lezers is te hulp geschoten bij de beantwoording en verschillende lezers hadden toegang tot meer of minder geavanceerde dispersiemodellen waarmee het gewoon viel uit te rekenen. De indruk is dat bij de opgegeven windsnelheid (zo'n 3 m/s) de pluim inderdaad na 3,5 km ongeveer 400 meter of iets meer breed is maar veel hangt af van de ruwheid van het terrein en de temperatuuropbouw van de atmosfeer. Een handicap is dat de onderzoeker die door de geurpluim fietst door gewenning al gauw helemaal niets meer ruikt. Het binnenrijden van de pluim wordt beter waargenomen dan het verlaten van de pluim. De kans is dus groot dat de pluimbreedte iets wordt onderschat.

Aannemende dat de pluim ruwweg kegelvormig uitwaaiert, is hier geschreven, valt te berekenen dat de geurconcentratie evenredig met het kwadraat van de afstand tot de bron afneemt. Neemt de afstand met een factor 3,2 toe dan daalt de concentratie met een factor tien. Wie op één kilometer afstand van een geurbron de geurconcentratie in de lucht kent dan dus aardig schatten hoe die concentratie op 3 km afstand zal zijn.

Maar het omgekeerde, is hier geklaagd, lukt niet erg: uitrekenen hoe de concentratie dan vlak bij de bron is. Dat levert op de plaats van de bron zelf idiote waarden op. Allicht, schreef een stoet van lezers, een reële geurbron is niet puntvormig, een reële bron heeft reële afmetingen. De mogelijkheid van terugrekenen houdt dicht bij de bron op.

Wat was eigenlijk de bedoeling van uw geuronderzoek, vraagt lezer P.K. die al jaren meeleest. Of misschien vroeg hij: wat was eigenlijk uw bedoeling? Welnu, dat was: uitrekenen hoe hoog de concentratie mercaptanen was in de onmiddellijke omgeving van de plaatsen waar de slops van de vermaledijde Probo Koala waren terecht gekomen als bekend was dat deze slops 3 km benedenwinds al niet meer te ruiken waren. De geurdrempel van het walgelijk riekende ethylmercaptaan (ethaanthiol) ligt bij 0,0002 ppm en de herkenningsdrempel bij 0,001 ppm. De MAC-waarde ligt bij 0,5 ppm. De MAC-waarde is de hoogste waarde waaraan werknemers met normale werkgewoontes mogen worden blootgesteld. Als we nu royaal aannemen dat de concentratie ethylmercaptaan op zo'n 3 km afstand van een PK-dumpplaats de waarde 0,005 ppm had dan is te schatten hoe dicht bij de dumpplaats de MAC-waarde werd bereikt. In dit geval is dit 290 meter. Let wel: op die plaats heerst nog absoluut geen gevaarlijke concentratie want in de MAC-waarde is een flinke veiligheid ingebouwd.

Enfin, het was maar een berekening op de manchet om nog eens uit te leggen dat het onaannemelijk is dat er iemand in Abidjan is overleden door de dampen van de Probo Koala. Maar de gelovigen doen zoiets af als een schrijftafelingenieursstuk, ze zullen zich nooit laten overtuigen.

Twee weken geleden is hier het aantrekkelijke boek ‘Sustainable Energy – without the hot air’ van fysicus David J.C. MacKay besproken. Een ideale gids voor het manchetrekenen op gebied van energie en energiebesparing. Het boek is vrij te downloaden op internet (www.withouthotair.com).

Maar jammer dat het hier verkeerd geciteerd werd. De luchtweerstand van een auto of trein is natuurlijk niet evenredig met de derde macht van de snelheid maar met de tweede macht. Niet ~v3 maar ~v2. Het werd gedachtenloos verkeerd overgetikt van bladzijde 255 waar wordt duidelijk gemaakt dat het benodigde vermogen evenredig is met v3. Het is de lezer niet ontgaan, laten we het zo zeggen.

Geen enkele lezer viel over de opmerking dat er ruwweg 1,4 liter benzine-equivalent nodig is om 1 liter benzine te maken (voor oliewinning, transport, raffinage en distributie) en daardoor staat nog steeds niet vast of het waar is. MacKay en vele anderen slagen erin het steeds zo onduidelijk te formuleren dat je niet weet of ze bedoelen dat voor elke liter benzine in totaal 1,4 of in totaal 2,4 liter benzine-equivalent nodig is. Shell bellen?

Het aantrekkelijke van Sustainable Energy is dat bijna alles wat er wordt beweerd ook wordt voorgerekend, bijvoorbeeld dat het gruwelijk energieverbruik van de waterstofauto alleen wordt overtroffen door dat van de waterscooter. Er is één opmerking in de marge (op bladzijde 92) die de AW-redactie niet los laat. Transport over water kost energie omdat schepen golven maken, staat er. De kanovaarder ontmoet geregeld binnenschepen die helemaal geen golven maken maar waarbinnen toch een motor zwaar staat te stampen. Hoe zit dat.