Laat integriteit van banken niet over aan zelfregulering

Achteraf rijst het gespleten beeld op van DSB als een kleine bank met een sterke bedrijfscultuur en een ontroerende saamhorigheid van het personeel, maar tegelijk ook van een roofbank die afhankelijk was van buitensporige provisies. DSB verstrekte hypotheken aan mensen die bij andere banken werden afgewezen omdat hun inkomen te laag was en hield de betalingsdiscipline erin met een actief incassobeleid. Bedrijven van de eigenaar-directeur waren deels afhankelijk van de bank, en de bestuursstructuur bood geen beveiliging tegen ontsporing.

Het eigenlijke probleem van DSB was een al jaren woekerend integriteitsprobleem op verschillende gebieden. Integriteit is misschien wel de belangrijkste voorwaarde voor een gezond financieel stelsel. Daarom voorziet de Wet financieel toezicht - en voorheen ook de Wet toezicht kredietwezen - in een controle op integer zakendoen. Het nuanceert wel iets aan de positie van de toezichthouder als je ziet hoe zwaar dit vitale onderdeel van het bankentoezicht leunt op zelfregulering. Van banken wordt verwacht dat ze zelf hun kwetsbaarheden inventariseren, zelf een boekhouding bijhouden van incidenten, dat ze daar vervolgens zelf corrigerend beleid voor ontwikkelen en er zelf verslag van doen aan De Nederlandsche Bank.

Dat ontslaat De Nederlandsche Bank niet van de eindverantwoordelijkheid voor een gezond bankwezen, maar het schrijft wel een passieve houding voor die achteraf zoveel kritiek oogst. Zelfregulering is een politieke keuze geweest. Een recente keuze: de wet dateert van 1 januari 2007. Als we de les trekken dat zelfregulering (per definitie) ongeschikt is voor integriteitstoezicht, dan kan uit alle narigheid misschien ook nog iets goeds voortkomen.