Islam in de peiling

Hoe denken islamieten over godsdienst, democratie, werk en terrorisme? Gallup-onderzoeker Dalia Mogahed en islamoloog John Esposito presenteerden de meningen van 50.000 moslims uit 35 landen aan beleidsmakers.

Dorrit van Dalen en Dirk Vlasblom

Na ‘9/11’ vroeg een journalist aan de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld wat de moslim in de straat van deze aanslagen dacht. Geen idee, zei hij. Dat was aanleiding voor Gallup, ’s wereld grootste organisatie voor opinieonderzoek, om de meningen te peilen van 50.000 moslims in 35 landen met een islamitische meerderheid. Dalia Mogahed, moslima, geboren in Egypte en opgegroeid in de Verenigde Staten, had de leiding. Doel van het onderzoek was neutrale data te leveren als grondslag voor een ‘realistischer’ buitenlandse politiek, die niet zou zijn ingegeven door ongefundeerde angst. Samen met John L. Esposito, hoogleraar islamstudies aan Georgetown University en auteur van enkele standaardwerken, verwerkte Mogahed de onderzoeksresultaten in een boek: Who speaks for islam? What a billion Muslims really think. Een nieuw geluid in de VS, al was het maar door de geruststellende toon.

De auteurs vormen intussen een invloedrijk duo. Esposito wordt geraadpleegd door president Obama’s naaste adviseurs en in april werd Mogahed lid van Obama’s Advisory Council on Faith-based and Neighbourhood Partnerships. Ze waren vorige week te gast bij de opening van het Leidse centrum voor onderzoek van islam en samenleving (LUCIS).

Na hun voordracht gingen ze ieder afzonderlijk in op de merites van het grootste opinieonderzoek dat ooit is gehouden in de islamitische wereld. Dalia Mogahed beet het spits af.

Een vraag die opkomt bij de Gallup-peiling is of het er wel toe doet wat een miljard moslims denkt. Veel van hen wonen immers in ondemocratische landen. Mogahed: “De meeste moslims wonen in Indonesië, Pakistan, India en Bangladesh, allemaal democratieën, al functioneren ze niet even goed. De meningen van moslims doen er ook toe omdat zelfs autocratische regimes rekening houden met de publieke opinie in hun land. Soms willen ze die bespelen om haatgevoelens tegen de Verenigde Staten aan te wakkeren. Of hun dat lukt, is natuurlijk van groot belang voor ons, want Amerikaanse belangen en bedrijven lijden eronder. Ook daarom moeten we weten waarom we in sommige islamitische landen worden gehaat. Dat is niet wegens onze manier van leven en onze waarden, vrijheid en democratie, zoals een aantal Amerikaanse politici na 9/11 beweerde. Integendeel: het zijn juist vrijheid, democratie en technologie die men in islamitische landen het meest bewondert aan het Westen. De haatgevoelens gelden dan ook niet het Westen in het algemeen, maar de VS in het bijzonder. Ze hebben rechtstreeks te maken met het buitenlands beleid van de laatste jaren, dat het recht op vrijheid en zelfbeschikking van ánderen – vooral van islamitische landen – lijkt te ontkennen.”

De meerderheid van de ondervraagden verlangt naar democratie. Dat die in islamitische landen op zijn best zwak is, verklaren Esposito en Mogahed vooral uit historische en politieke factoren, zoals de westerse dominantie tot diep in de 20ste eeuw. Andere wetenschappers zoeken het meer in de islam. Die legt immers de soevereine macht bij God en plaatst de umma, de geloofsgemeenschap, boven het individu. Politieke leiders in islamitische landen beroepen zich daarop.

Waarom gaat u niet in op religieuze opvattingen over democratie?

“Ik ben geen expert op het gebied van islamitische theologie, maar de meeste gewone moslims zijn dat ook niet. Uit ons onderzoek blijkt dat ze die tegenstelling tussen religieuze principes en democratische waarden niet zo zien. Intussen neemt de roep om politieke participatie en transparantie van de politiek in islamitische landen toe. Ik denk dat veel moslims hun kijk op maatschappij en politiek meer scheiden van hun geloof dan wel gedacht wordt. Ze willen op de eerste plaats als burgers met rechten worden gezien, niet als mensen met een bepaald geloof.”

Het boek, en dat lijkt ook de opzet van het onderzoek, heeft een geruststellende boodschap: wees niet bang, moslims zijn net als wij. De meesten hopen op een betere baan, veroordelen terrorisme en keuren aan het Westen alleen af wat wij zelf ook negatief vinden, namelijk verlies van traditionele waarden.

Wat hebben we aan dit onderzoek?

“Het helpt ons voorbij de vooroordelen te komen die de debatten over de islamitische wereld zo lang hebben vertroebeld. We zien bijvoorbeeld dat er geen verband is tussen terrorisme en religie. In Libanon en Iran vindt niet meer dan 2 procent van de ondervraagden aanslagen waarbij onschuldigen doelwit zijn gerechtvaardigd. In Saoedie-Arabië is dat 4 procent; in de VS curieus genoeg 6 procent. Degenen die terrorisme goedkeuren, gebruiken uitsluitend politieke argumenten, ze beroepen zich niet op de Koran. Andersom doen degenen die terrorisme afkeuren dat wel. Gallup wil over zulke zaken alleen maar informeren. Met onze gegevens voeden we denktanks en beleidsmakers en het is aan hen om verklaringen te geven en conclusies te trekken. Voor ons is de hoofdzaak dat we hen en de publieke opinie dichter bij de realiteit brengen.”

Maar velen die bekend zijn met landen waar het onderzoek is gehouden, herkennen de realiteit niet die het boek schetst. Gallup zegt bijvoorbeeld dat een meerderheid in alle islamitische landen vindt dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn.

Hoe luidden eigenlijk de vragen die zijn gesteld?

“Of vrouwen gelijk behandeld moeten worden, of ze een gelijk recht hebben op betaalde arbeid en of ze stemrecht moeten hebben.”

Waarom niet gewoon gevraagd of een vrouw na 7 uur ’s avonds alleen de deur uit mag?

“De vragenlijsten zijn opgesteld in zorgvuldig overleg met wetenschappers, experts en journalisten die deze landen kennen, en ook uit de betreffende landen zelf. Wie een enquête uitvoert, moet natuurlijk altijd rekening houden met het feit dat mensen de neiging hebben om sociaal wenselijke antwoorden te geven. Dat geldt ook voor het Westen en de gebruikte methoden houden daar rekening mee. Vrouwen hebben in de praktijk niet overal gelijke rechten, zeker. We hebben alleen niet naar de bestaande situatie gevraagd, maar naar opvattingen. En net als in het Westen zijn er ook in moslimlanden mensen die met twee maten meten.”

U heeft de uitkomsten van het onderzoek voorgelegd aan politieke en religieuze leiders in enkele islamitische landen. Hoe reageren zij als u laat zien dat veel van hun burgers religie scheiden van politiek en meer democratie willen?

“Ze zijn vooral geïnteresseerd in de ontvangst van onze onderzoeksresultaten in de VS.”

Leiders in islamitische landen willen graag weten of Gallups peiling onder hun burgers enige invloed heeft gehad in de Verenigde Staten. Dat was dan ook onze eerste vraag aan John Esposito, co-auteur van Who speaks for Islam?

“Bij beleidsmakers – ook tijdens het bewind van Bush, maar niet in het Witte Huis – onder politieke analisten en mensen in het Pentagon; in de die kringen heeft het boek invloed gehad. Verder viel het goed in academische milieus, bij deskundigen die het niet eens zijn met het neoconservatieve wereldbeeld. Zij verwijzen ernaar in hun colleges en publicaties. Maar het heeft geen deuren geopend bij harde neocon-ideologen, zoals Paul Wolfowitz.

“De nieuwe Amerikaanse regering laat zich niet leiden door vooringenomen standpunten, maar door empirisch onderzoek. In de kring rond Obama heeft het boek dan ook invloed, merk ik. Veel mensen, ook in het Midden-Oosten, schreven me dat ze in Obama’s rede in Kairo, zowel in het woordgebruik als in de argumenten, veel terugvonden van ons boek. Ik weet dat enkele speechschrijvers, en ook de president zelf, het hebben gelezen. En het zal invloed houden, want Gallup gaat door met peilen en we gaan het boek actualiseren.”

Eén hoofdstuk heet ‘Democratie of theocratie?’ Dat klinkt bekend. Bernard Lewis, specialist in de geschiedenis van het Midden-Oosten, schreef dit voorjaar in Foreign Affairs dat de toekomst van die regio afhangt van de krachtmeting tussen aanhangers van een islamitische theocratie en voorstanders van een liberale democratie.

Is dit een reële tegenstelling?

“Lewis geeft daarmee blijk van een onwetendheid die je eerder zou verwachten bij politici als Donald Rumsfeld. Als die in een staat met veel moslimburgers een greintje religie zien, noemen ze het een theocratie. Maar die term betekent heerschappij van de clerus. Lewis suggereert ook dat een liberale democratie geen enkele religieuze dimensie heeft, wat niet strookt met de historische ervaring in Europa en de VS. Lewis is historicus en als hij over geschiedenis schrijft, komt hij met concrete onderzoeksresultaten. Maar als hij over het heden spreekt, debiteert hij opvattingen zonder enige empirische onderbouwing. De tegenstelling in de islamitische wereld is er veeleer een tussen seculier autoritarisme en democratisering. Uit ons boek blijkt dat de meeste moslims graag elementen van democratie zien, zoals zelfbeschikking, gelijkheid voor de wet en een rechtsstaat. Ze willen alleen niet leven in een volledig seculiere staat. Ze willen dat religieuze waarden een rol spelen in de samenleving. Want ook al houden ze zich niet allemaal aan de religieuze voorschriften, ze waarderen hun godsdienst en vinden religieuze waarden belangrijk voor hun land.”

Er is een hadith (overlevering over het leven van Mohammed) waarin de profeet zegt dat een leider die de umma niet naar verlossing leidt, moet worden verwijderd. Hangen islamieten dat beginsel nog steeds aan?

“Die traditie behelst dat men een goede leider nodig heeft. En ‘goed’ werd religieus gedefinieerd. Maar in het verleden hebben soennitische leiders, in het licht van de realiteit van die dagen, hier voorwaarden aan gesteld. Zij besloten dat je een zondige heerser alleen kunt verwijderen als je ervan overtuigd bent dat dit lukt. Anders ontstaat anarchie. En voor de samenleving is orde beter dan wanorde. De traditie werd dus geherinterpreteerd in die zin dat je een leider niet afzet als je anarchie riskeert. En daarom werden leiders niet verwijderd.

“De reden waarom leiders tegenwoordig niet worden afgezet, is niet van religieuze, maar van politieke aard en wortelt in de politieke cultuur. De reden waarom wij met onze bondgenoten in de islamitische wereld – niet alleen regeringen – moeten werken aan verandering is dat autoritair bestuur anders wordt vereeuwigd. Egyptenaren die nu in de dertig zijn, vertellen me: ‘de enige president die ik ooit heb gekend is Mubarak’. In landen als Egypte en Syrië is een meerderheid van de bevolking volledig afhankelijk van de overheid, omdat alle belangrijke sectoren in staatshanden zijn. Dat komt niet door de religie, maar door de cultuur van seculier autoritarisme.”

Salafisten, althans de scherpslijpers onder hen, beschouwen het begrip volkssoevereiniteit als ketterij, omdat het een ontkenning is van Gods absolute macht. Meedoen aan verkiezingen beschouwen zij als haram, ongeoorloofd op religieuze gronden.

Zijn dergelijke salafistische ideeën terug te vinden in de Gallup Poll?

“Jawel. Die zijn te vinden bij de opinies van minderheden in de islamitische wereld die niet kiezen voor democratie. Onder hen zijn niet alleen salafisten, maar ook andere ultraconservatieve moslims. De clerus en de heersers van Saoedi-Arabië vinden democratie prima voor het Westen, maar ongeschikt voor henzelf. De Saoedische heersers zullen democratie niet haram noemen, zoals de extremisten, maar zij zeggen dat die ‘niet past in hun tradities’ .”

Er zijn ook islamisten die democratie niet zien als iets wat in de grond legitiem is, maar als een middel of tactiek om aan de macht te komen en een islamitische staat te vestigen. One man, one vote, one time. Die laten natuurlijk niet het achterste van hun tong zien in een peiling.

Esposito: “Die observatie – wij weten niet wat islamisten doen als ze aan de macht komen – ken ik, maar hij gaat niet meer op. Er zijn intussen genoeg verkiezingen geweest om te weten dat er steeds weer islamisten worden gekozen. Zij zijn intussen lid geweest van parlementen en kabinetten. Ze hebben gewerkt binnen het systeem en sommigen van hen zijn in de loop der tijd veranderd. Kijk naar Turkije. Eerst was er de islamistische Welvaartspartij van Erbakan, en nu is er de AK. Die partij is vooral islamitisch in culturele zin en staat zeker niet voor ‘one man, one vote, one time’.”

De AK behoort tot een relatief nieuwe variant. Een oud-student van Esposito, Vali Nasr, noemt die, naar analogie met Europese christendemocraten, ‘moslimdemocratie’. Hij doelt op islamitisch geïnspireerde, maar geen islamistische partijen, die de democratie omhelzen en die terrein winnen in landen met moslimmeerderheden. Zij ijveren niet voor een islamisering van de staat, maar nemen genoegen met een islamitische inbreng in de landspolitiek.

Esposito: “Dat is inderdaad een categorie in opkomst. De term ‘moslimdemocraten’ wordt nu door moslims en niet-moslims gebruikt. Hij verwijst naar landen als Indonesië en Turkije. In Egypte bestaat een nieuwe beweging, die zich inspant om erkend te worden als partij. Hij bestaat uit jonge leden van de Moslim Broederschap die wereldbeschouwelijk pluralisme erkennen, maar, gezien het islamitische karakter van de samenleving, geen volledig seculiere staat willen. Moslimdemocraten stuiten overigens op weerstand, zowel van seculiere krachten als van ultraconservatieve moslims. Amerikaanse en Europese diplomatie zou juist deze stroming een steuntje in de rug moeten geven.”