'Ik voel me geen afvallige'

Mieke Freeke (1953) groeide op in een gelovig gezin. ‘Er was geen radio en geen televisie.’

‘Het leuke van deze foto vind ik dat je kunt zien dat we ook plezier hadden, dat het niet allemaal zwaar was bij ons thuis. Zelfs mijn vader glimlacht. Dit was een feestje voor zijn verjaardag, gewoon in de huiskamer. Ik was negentien en ging bijna op kamers wonen. De sombrero had ik gekregen van een vriend van mijn broer.

„Gewoonlijk was ons leven sober en strikt. Het was overleven, met veel mensen en weinig ruimte. De huisregels waren grotendeels bepaald door het geloof. Er was geen radio en geen televisie. Popmuziek kwam het huis niet in. Wij meisjes hadden lang haar en we droegen rokken, een lange broek mocht niet.”

„Mijn vader was een protestantse kruidenierszoon uit Scheveningen. De eerste woning die hij met mijn moeder betrok was een vissershuisje, dichtbij zijn ouderlijk huis. Daar kregen ze hun eerste acht kinderen. Ik was de vierde. Elk kind was een zegen des Heren. In totaal kwamen er twaalf.

„Van huis uit behoorde mijn vader tot de stroming van de ‘thuislezers’, een groep die zich had afgewend van de kerk, vanuit de overtuiging dat er geen ware kerk meer was. Alles draaide om de bewuste geloofservaring. ’s Zondags zette mijn vader zijn prekenboek op een standaard en las hij ons zelf voor. Als meisje kende ik het niet anders.

„Begin jaren zestig verhuisden we van Scheveningen naar een doorzonwoning in een keurige Haagse ambtenarenstraat, en daar vielen we nogal uit de toon. ‘Jij mag niet met de kinderen van Freeke spelen, want daar stinkt het’, werd er wel gezegd. Om ons sociale isolement te doorbreken heeft mijn moeder er toen bij mijn vader voor gepleit om ons toch bij een kerk aan te sluiten. Hij zwichtte; hij was al langer bezig om zich los te maken van de thuislezers. Ik herinner me dat ze een keer onaangekondigd langskwamen op een zaterdagmiddag, en dat er toen geroepen werd: ‘Allemaal liggen jongens! Nu!’ Voortaan wandelden we elke zondag één, later twee keer naar een kerk in Voorburg. Het duurde allemaal lang en de diensten gingen bij mij het ene oor in, het andere oor uit, maar het was honderd keer beter dan het preeklezen thuis. Je was er even uit, je was onder de mensen.

„Als het nodig was, vormden wij kinderen een bondje tegen mijn vader en zijn regels. Onze protesten draaiden veelal om kapsels en kleding – we zaten toch in de stad, eind jaren zestig. De meiden op mijn middelbare school waren hip. Mijn oudste broer en zus zijn het hardst met mijn vader gebotst. Dat kwam weleens tot een handgemeen. Vooral Gerrie was zo slim en verbaal vaardig, die kon mijn vader triggeren met haar kritische vragen en dan was het een driftkikker, hoor. Hij heeft haar bril een keer gebroken. Dat vond ik heel erg.

„Zelf heb ik nooit de behoefte gehad om me echt tegen mijn ouders af te zetten. Ik had met ze te doen. Ik zag hoe ze klem kwamen te zitten tussen het geloof en de moderne tijd. Wij gingen naar de bioscoop, we dansten op feestjes, mijn broers lieten hun haren groeien. Dat was allemaal niet tegen te houden.

„Ik voel me geen afvallige. Ik heb langzaam, beetje bij beetje afscheid genomen van dat geloof. Mijn vier jongste broers en zussen zijn nog kerkelijk; zij zijn van jongs af aan naar de kerk gegaan en de meesten hebben daar hun partners ontmoet. Onderling kunnen we er nu wel goed over praten. Maar tegen mijn moeder zal ik nooit ofte nimmer stellig zeggen dat de wereld volgens mij anders in elkaar zit.”

Een herfststorm. De tuin aan het water lijkt te worden opgetild als een vliegend tapijtje. Boven de eettafel hangt een print van Andy Warhol, in fel groen en geel. Die is van de kunstuitleen, vertelt ze. Haar kinderen vinden hem ook zo leuk.

Heeft u ook een interessante familiefoto? Mail naar weekblad@nrc.nl