'Hypocrisie is eerbetoon van zonde aan deugd'

Leuke titel voor de film: Dirk de Durfal – Van Hypotheekverstrekker tot Hypocriet.

De Amerikaanse president Abraham Lincoln zei ooit: „Een hypocriet is iemand die zijn ouders vermoordt en dan om vergiffenis smeekt omdat hij wees is.” De woordkeus is misschien wat pompeus, maar ik durf de analogie met de DSB-affaire wel aan.

Even recapituleren. Scheringa bouwde in dertig jaar een kredietimperium op. Ten grondslag aan het succes lag vooral een uitgekiende media-exposure, ter waarde van een slordige 60 miljoen euro per jaar. Daarvoor kocht Scheringa een voetbalclub en bombardeerde hij de consument, via tv, krant en billboard, met reclames waarin de ‘goedkoopste lening’ tegen de ‘laagste rente’ werd beloofd. Dat bleek een fata morgana: de rente schoot na een jaar omhoog en de bank stak de koopsompolissen in eigen zak als provisie. Niemand die bovendien de hypotheken over wilde nemen, omdat de waarde van het huis niet in verhouding stond tot de lening. Zo dreef Scheringa de klant richting afgrond.

Nu kun je zeggen: ja, daar was de klant zelf bij. Maar Pieter Lakeman dacht daar anders over. Na wat vruchteloos getouwtrek kreeg hij een ingeving: wat Dirk kan, kan ik ook. Hij riep, in Goedemorgen Nederland, alle klanten van DSB op hun geld uit de kluis te trekken. De sneeuwbal die daarop in de media ging rollen, mondde uit in een bankrun. De parallel is bijna ironisch: zoals Dirk de consument zijn tent in had gelokt, zo dirigeerde Lakeman hem er weer uit.

Dat Scheringa vervolgens klaagt dat Lakeman, geholpen door een lekkende Nederlandsche Bank, de DSB „doelbewust kapot heeft gemaakt”, is dan ook een gênant gevalletje van de pot verwijt de ketel. Als iemand de kracht van de beeldvorming in zijn voordeel heeft aangewend, dan was het Scheringa wel. Hij besefte kennelijk alleen niet dat het twee kanten op werkt.

De vraag wie ‘gelijk’ heeft, lijkt me dan ook tevergeefs. Hier staan twee Robin Hoods tegenover elkaar – ieder in hun eigen wereld. In de één is Lakeman de held, die het grootkapitaal op zijn knieën dwong voor de gedupeerde klant. In de ander is Scheringa de held, die in de schatkist zoekt naar een reddingsplan voor de gedupeerde medewerker. En voor elkaar zijn ze allebei de duivel. Tussen de wederzijdse verwijten houdt de schijnheiligheid zich schuil: niemand heeft ergens schuld aan en iedereen is de dupe. Zoals de Franse denker François de la Rochefoucauld al zei: „Hypocrisie is het eerbetoon dat de zonde aan de deugd betuigt.”