Hoe het toen was

Zondagavond zendt de NPS het eerste deel van 13 in de Oorlog uit, een serie van dertien afleveringen waarin zal worden verklaard wat het betekende om in de Tweede Wereldoorlog een kind te zijn. Voor mij een meer dan boeiend gegeven. Op 10 mei 1940 was ik 12 en over mijn geheugen heb ik nog niet te klagen. Ik wil niet beweren dat ik er alles van weet, maar wel veel.

Om te beginnen dit: de oorlog was voor mijn vriendjes en mij geen verrassing maar in zekere zin een vervulling. De jaren dertig werden in toenemende mate beheerst door oorlogsnieuws. In 1936 werd Abessinië door de Italianen veroverd. In hetzelfde jaar begon de Spaanse burgeroorlog. De krijgsverrichtingen werden gefilmd. Televisie was er nog niet. We gingen naar de Cineac die de journaals vertoonde. Daar zagen we witgejurkte Abessijnse krijgers voor de Italiaanse tanks vluchten, Spaanse steden door vliegtuigen van Duitse makelij, Heinkels, gebombardeerd worden. Huizen vlogen als zwarte fonteinen van puin de lucht in. En dan kwam er een tekenfilm met Betty Boop of Popeye the Sailor in de hoofdrol.

Je kon je abonneren op het vrolijke weekblad Doe Mee en lid worden van de Popeye Club. Daarbij hoorde een insigne. Ik ben nooit liefhebber van clubs geweest, maar voor militaire vliegtuigen had ik een onverzadigbare belangstelling. Voor de oorlog was mijn vademecum het boek Moderne vliegtuigen van Van Steenderen en verder las ik het weekblad De Vliegwereld. Op mijn twaalfde wist ik alles van de Fokker G1, de D21, de Koolhoven FK52, de Spitfire en de Hurricane, om er maar een paar te noemen.

Ik woonde toen in Kralingen aan de uiterste oostgrens van Rotterdam. Op 10 mei 1940 werden we wakker van vliegtuiglawaai. In mijn pyjamaatje de straat op. Daar zag ik ze voor het eerst in het echt, een paar Messerschmidts 109 en daarna nog een G1. Ja, het was oorlog. Koningin Wilhelmina hield haar toespraak waarin ze de Duitse overval veroordeelde. We hadden de hele dag de radio aan, voor het nieuws en de berichten van de Luchtwachtdienst die meldde, hoeveel Duitse vliegtuigen in welke richting vlogen. Mijn ouders waren vervuld van een patriottische woede. Voor mij waren de eerste oorlogsdagen in zekere zin het bewijs dat Nederland erbij hoorde. De theorie van de Cineac was praktijk geworden.

Op 14 mei, tegen half een, meldde de Luchtwachtdienst dat sterke formaties Duitse bommenwerpers in de richting van Rotterdam vlogen. We gaan in de kelder zitten, onder de trap, zei mijn vader. Een nationale veiligheidsdienst had dat geadviseerd. We hoorden het geronk van de laag vliegende bommenwerpers, en toen het fluitend geluid van een vallende bom. Een ontploffing? Daar staat me niets van bij. De vloer van de kelder begon te golven. Eruit! riep mijn vader. Door een stofwolk renden we naar buiten. De eerste bom op Rotterdam heeft het huis getroffen, een meter of tachtig ten zuiden van de plaats waar we in de kelder zaten. Dat huis is totaal verwoest, later nauwkeurig herbouwd. De kleur van de baksteen is de enige herinnering.

Zo is voor mij de oorlog begonnen. Mijn stad werd verwoest. Nog altijd zou ik nauwkeurig kunnen beschrijven hoe de Oostzeedijk, de Hoogstraat, het Beursplein, de Coolsingel er toen uitzagen. Het eerste decor van mijn jeugd dat toen vervangen werd door het decor van de verwoeste stad. Daar heb ik gespeeld, ben ik naar school gegaan, heb mijn eerste verliefdheden beleefd. De oorlog is mijn jeugd, met als apotheose, spannend, gruwelijk, avontuurlijk, de Hongerwinter.

Hoe breng je dat geheel over aan kinderen die opgroeien in de luxe van deze vrijgevochten en relatief veilige samenleving? Met beelden. Die zijn er in overvloed. Maar ik hoop dat de NPS ook een meisje of jongen van een jaar of tachtig heeft opgespoord, zo’n jongmens dat uit eigen ervaring kan en wil vertellen hoe het toen werkelijk was.