Het oude oorlogsrecht in nieuwe terreurtijden

De regering van Israël kan niet uit de voeten met het vigerende oorlogsrecht. Het is uit de tijd. Premier Netanyahu heeft daarom afgelopen week besloten een diplomatiek offensief te openen om de oude Conventies van Genève op de schop te nemen.

Deze stap wordt geïnterpreteerd als een indirect antwoord op het rapport van de Zuid-Afrikaanse rechter Goldstone over de oorlog in Gaza, dat Israël beschuldigt van een „bewuste strategie” om disproportioneel geweld te gebruiken. Het feit dat Hamas zich, met haar raketaanvallen op burgerdoelen in Israël, ook schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden, is volgens Goldstone geen ontlastend argument. Waarom Netanyahu deze conclusies onverdraaglijk acht, laat zich raden. In zijn toespraak tot de VN had hij zijn ongemak dit najaar al in een retorische vraag verpakt: „staat u aan de kant van Israël of aan de kant van de terroristen?”

Het is eenvoudig, en waarschijnlijk juist, om Netanyahu’s idee over het bestaande oorlogsrecht af te doen als ontsproten aan het brein van een politicus die last heeft van datzelfde oorlogsrecht. Maar dat is ook gemakzuchtig, omdat het geen recht doet aan de complexiteit van de ‘asymmetrische oorlog’, zoals het tegenwoordig heet. De Conventies van Genève zijn opgesteld in conventionelere tijden toen er, behalve de zekerheid dat oorlog dood en verderf zaait, ook nog zekerheden bestonden over frontlinies, het onderscheid tussen soldaat en burger, heldere bevelslijnen en staatsstructuren die politieke verantwoordelijkheid droegen. In een asymmetrische oorlog beweegt het strijdtoneel echter altijd en overal.

Deze grensvervaging wordt niet alleen in de hand gewerkt door Hamas en andere groepen die als terroristisch worden aangeduid. Ook staten gebruiken methodes die op gespannen voet staan met het oorlogsrecht. Deportatie, preventieve liquidatie of martelend verhoren: allemaal methodes die geen basis hebben in het recht. Of wat te denken van de trend om legertaken te ‘outsourcen’ naar commerciële huurlingen die slechts indirect onder een politiek commando vallen?

Maar al staat het oorlogsrecht aan álle kanten onder druk, dat neemt niet weg dat reguliere staten er anders mee geconfronteerd worden dan guerrillabewegingen of terroristische groeperingen. Zeker democratische landen zijn kwetsbaar voor het verwijt dat zij er een dubbele moraal op nahouden. Vandaar de neiging in die kring om er de nadruk op te leggen dat democratische landen meer recht hebben op uitzonderingsmaatregelen, juist omdat ze democratisch zijn. Nobelprijswinnaar Wiesel gaf er onlangs blijk van toen hij Human Rights Watch aanviel wegens kritiek op Israël, zonder de buurlanden mee te nemen. „Human Rights Watch is meer dan 30 jaar geleden opgericht om dissidenten te beschermen tegen onderdrukkende regimes, maar is het zicht op dit oorspronkelijke ethos kwijtgeraakt”, schreef Wiesel in The New York Times.

Er knelt inderdaad iets als slechts één partij met de hand op de rug moet strijden, terwijl de ander god noch gebod erkent. Toch moeten democratische staten hun principes handhaven. De kern van het oorlogsrecht is dat het zich niet neerlegt bij ‘oog om oog tand om tand’. Want wie zich laat meesleuren in zo’n neerwaartse spiraal ondermijnt het gezag van zijn eigen democratische wapens en loopt het risico uiteindelijk ook zelf ondemocratisch te worden.