Een wonderlijke vogel

Onthutst was de voorzitter van de Orde van Medisch Specialisten door het onderzoeksrapport van de commissie-Lemstra over de beruchte Twentse neuroloog Jansen Steur. Dat Jansen Steur rare dingen deed met patiënten is breed uitgemeten in de pers en het deskundigenrapport van Lemstra bevestigt dat volledig. Jansen Steur geeft het trouwens zelf toe in een interview met deze krant van 20/10/09. Het disfunctioneren van Jansen Steur is buiten kijf en onthutsend.

Hoe Jansen Steur van de rechte weg is geraakt blijft buiten zicht, omdat de commissie-Lemstra zich beperkt heeft tot de periode vanaf 1992. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat Jansen Steur altijd zo’n wonderlijke vogel is geweest. Hij is opgeleid tot dokter, toen neuroloog geworden en ook gepromoveerd. Dat lukt je niet als je volstrekt onmogelijk bent, niet met collega’s kunt samenwerken en rare streken uithaalt met patiënten. De commissie schrijft iets over een auto-ongeluk waarbij Jansen Steur betrokken is geweest in 1990. Een flinke tik tegen je hoofd kan je functioneren blijvend beïnvloeden. Jansen Steur zelf wijt zijn disfunctioneren aan stress en jammert over een onderliggende persoonlijkheidsstoornis.

Dat een dokter disfunctioneert lijkt mij op zichzelf niet onthutsend. Het is vervelend, maar het kan gebeuren. Ook goede dokters kunnen ontregeld worden door een hersenschudding, een hersentumor, een psychiatrische aandoening, of dementie. Dokters zijn net mensen. Echt onthutsend is dat Jansen Steur ten minste 11 jaar lang kon disfunctioneren zonder dat zijn collega-neurologen of het ziekenhuisbestuur daar een eind aan maakten. Ook het bestuur van de medische staf van het Medisch Spectrum Twente (MST) deed niets. Dat bestuur heeft de taak om conflicten tussen specialisten op te lossen, maar heeft dat onplezierige werk afgeschoven op de machteloze neurologengroep.

Pas toen Jansen Steur medicijnen stal en recepten ging vervalsen om aan zijn dagelijkse dosis te komen, greep het ziekenhuisbestuur in. Jansen Steur werd met ziekteverlof naar huis gestuurd en kreeg een gouden handdruk: zijn salaris wordt doorbetaald tot aan zijn pensionering. Daar bleef het bij, volgens de commissie-Lemstra: “De inspanningen van het ziekenhuisbestuur waren er vervolgens op gericht de affaire binnenskamers te houden om reputatieschade voor Jansen en het ziekenhuis te voorkomen. Het bestuur stelde geen onderzoek in naar reeds aangerichte schade voor patiënten en trad patiënten met vragen of klachten afwerend en afhoudend tegemoet.”

Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) liet het afweten. Die wist dat de neurologen onderling ruzie maakten, maar heeft nooit gekeken of dit consequenties had voor de patiëntenzorg. “Het IGZ stelde zich lijdelijk op en verzuimde zelf onderzoek te doen naar toegebrachte schade aan patiënten”, schrijft de commissie-Lemstra.

Lemstra heeft zijn rapport getiteld “En waar was de patiënt?” Een merkwaardige vraag. De patiënt was in de spreekkamer van neuroloog Jansen Steur, helaas, helaas, en dat had verhinderd moeten worden. Dat vindt Jansen Steur nu zelf ook. “Waar waren de toezichthouders?” lijkt mij relevanter. Waar waren al die mensen die hadden moeten voorkomen dat de patiënt de pineut werd?

Falende toezichthouders blinken uit in het vinden van verzachtende omstandigheden en die zijn er ook: het disfunctioneren van een medisch specialist is minder makkelijk aan te tonen dan het disfunctioneren van een treinmachinist die door rood licht rijdt. Je kunt geen bewakingscamera’s in iedere spreekkamer zetten om te zien wat een dokter uitspookt. De dokter-patiëntrelatie is een vertrouwensrelatie. Artsen in een ziekenhuis kunnen elkaar niet voortdurend de maat nemen. Zij moeten gezamenlijk patiënten behandelen en gevit draagt niet bij aan een goede behandeling. De medische staf is daarom geneigd om conflicten te sussen in plaats van in te grijpen.

Toezichthouders hadden lang weinig machtsmiddelen om disfunctionerende dokters te corrigeren. Van oudsher was een dokter vrij om naar eigen inzicht patiënten te behandelen. Mal gedrag kon worden gerechtvaardigd als hogere geneeskunst. In de tijd dat ik mededirecteur was van een ziekenhuis werd mij altijd voorgehouden dat disfunctioneren moeilijk aantoonbaar was. Disfunctionerende specialisten waren daarom juridisch moeilijk aan te pakken. Dat was ook zo, maar het leek mij geen sterk argument. Wie bang is voor advocaten, moet geen ziekenhuisdirecteur worden. Liever een schadeclaim dan een onnodig beschadigde patiënt. Een ziekenhuisdirectie met rechte rug hoefde geen dokters te dulden die zich misdroegen, ook vroeger niet. Oprechte verontwaardiging – “ben je nou helemaal belazerd; dat gebeurt hier absoluut niet” – volstond. Het disfunctionerende toezicht van het Medisch Spectrum Twente op hun disfunctionerende neuroloog valt niet goed te praten.

Kan het opnieuw gebeuren? Niet makkelijk, want er is in de afgelopen 20 jaar wel wat veranderd in de geneeskunde. De incidenten die nu opborrelen – neuroloog Jansen Steur, de maagverkleinende solochirurg, de overleden baby in Hoorn – zijn de laatste oprispingen van een vervlogen tijd, waarin dokters vrij waren om hun kunsten naar eigen inzicht te vertonen. De evidence-based medicine is opgerukt, we weten steeds beter wat zinvolle diagnostiek is en welke behandelingen werken. Er zijn regels voor een goede praktijkvoering uitgekristalliseerd, waaraan artsen zich hebben te houden. De “Gedragsregels voor artsen” van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst laten weinig twijfel over wat u van uw dokter mag verwachten. Met de regels zijn ook de controlemogelijkheden toegenomen: Nascholing, visitaties door collega’s, jaarlijkse evaluatiegesprekken, er is sinds 2008 zelfs een modelreglement “Mogelijk disfunctionerend Medisch Specialist”, dat een gedetailleerd rampenplan bevat voor de aanpak van dokters die het spoor bijster raken. Het medisch tuchtrecht zeilt scherper aan de wind: artsen moeten zich houden aan de “professionele standaard” en wie dat niet doet kan een berisping of erger tegemoet zien. De toorn van het tuchtcollege treft de kwakzalver, maar ook de disfunctionerende reguliere dokter.

Desondanks komt de commissie-Lemstra met een lijst van 13 aanbevelingen, die de mogelijkheid tot ingrijpen door medische staf, ziekenhuisbestuur en inspectie verder moet vergroten. “Dit zijn echter allemaal slechts hulpmiddelen”, schrijft de voorzitter van de orde van medisch specialisten. “Het allerbelangrijkste is een omslag in ons denken. We moeten van not done (collega’s aanspreken) naar do better. Patiënten dienen te weten dat ze op veilige zorg kunnen rekenen en het ziekenhuis dat de gewenste zorgkwaliteit wordt geleverd.” Niet lafhartig wegkijken, maar ingrijpen. De patiënt is immers weerloos. Die kan niet raden dat zijn dokter verkeerde diagnoses stelt, net zoals een doorsneeconsument niet kan raden dat zijn bank niet deugt. Toezichthouders moeten toezicht houden. Daar moet de consument op kunnen afgaan.

Ook voor een arts moet het echter prettig zijn om te weten dat hij tegen zichzelf wordt beschermd als er een draadje knapt in de hersenen. Jansen Steur leidt nu een ‘afschuwelijk leven’ omdat hij het vertrouwen van zijn patiënten heeft beschaamd, zegt hij zelf. Hij was vast dankbaar geweest als zijn collegae of de ziekenhuisdirectie hem tijdig uit zijn spreekkamer hadden gehaald. Dat mijn broeder mij hoedt, zoals ik ook mijn broeders hoeder ben, lijkt mij geruststellend voor een goede dokter die het beste met zijn patiënten voorheeft.