Zonder Ieper geen A4

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week: het A4’tje

Op het punt van A4 deelde ik mijn leven tot nu toe in twee tijdperken in. Er was een pre-A4-tijd en een post-A4-tijd. De pre-A4-tijd was een lange zorgeloze periode waarin ik zo ongeveer elk rechthoekig stuk briefpapier zonder er verder bij na te denken ‘een A4’tje’ kon noemen. Ik kon zomaar schrijven over een brief van Richard Minne die ik in handen had gehad, uit 1948, en zomaar beweren dat die brief was geschreven op ‘een vel papier, A4-formaat, tweemaal gevouwen’, en zo in een enveloppe geschoven. Dat was begin december 2002. Maar daarna zou mijn leven drastisch veranderen. Op 21 december 2002 kreeg ik een brief van een lezer die zich afvroeg of er toen, in 1948, al wel een A4-formaat bestond.

Langzaam drong tot mij door dat het paradijs (‘we noemen alles wat zo ongeveer in de buurt komt gewoon A4’) niet meer bestond. Ik moest gaan inzien dat A4 de naam was voor een vel papiers dat lengtelijk 297 en breedtelijk 210 millimeters mat. Het was een van de eenheidsformaten voor papier, deel uitmakend van de Duitse DIN-standaardisatie uit 1920, in 1935 officieel in Nederland overgenomen, maar pas tientallen jaren later gemeengoed geworden. De brief van Minne had andere afmetingen, zag ik, toen ik het ging nameten. En ook als dat niet zo was geweest, dan was de term ‘A4-formaat’ voor een gewone brief uit 1948 nog altijd een anachronisme, zo begreep ik toen.

Ik leef voorzichtiger sindsdien. En nog voorzichtiger sinds ik Het A4’tje en wat eraan voorafging heb gelezen. Het bevat de tekst van een lezing van de Britse A4-oloog en typograaf Robin Kinross. Hij geeft daarin ‘een korte blik op de lange historie van papierformaten’. Ik weet nu dat er, om het pathetisch te zeggen, modder en bloed aan het A4’tje kleeft. Er was een lange en zware, miljoenen doden kostende Eerste Wereldoorlog voor nodig om Duitsland in 1918 de nederlaag te bezorgen. Duitsland moest daarna ‘van de grond af aan opnieuw beginnen’. Er werd een totale industriële reorganisatie doorgevoerd, en als onderdeel daarvan ook: nieuwe afspraken voor papierformaten. Het eerste uitgangspunt was een verhouding tussen breedte en lengte van 1:√2. Als je zo’n vel doormidden vouwt, en nog eens, en nog eens, blijft die verhouding steeds gelijk. Dat klinkt wonderlijk, maar het is eenvoudige algebra. Het tweede uitgangspunt was een vel (A0) met een oppervlakte van 1 vierkante meter. Dat levert dan de maten 841 × 1.189 mm op. Eén keer vouwen geeft A1, twee keer A2, drie keer A3. Bij vier keer vouwen zijn we dan bij ons A4’tje: 210 x 297 mm.

Wrange gedachte: als er rondom Ieper en langs de Somme niet zoveel doden waren gevallen, was het A4’tje er misschien nooit gekomen. Kinross gaat uitgebreid in op de geschiedenis van het papierformaat. Hij laat zien hoe allerlei invloeden daarbij een rol hebben gespeeld: de lengte van de menselijke arm, de techniek van het papiermaken, de techniek van het drukken, belastingmaatregelen, revolutiesfeer – en de altijd al wel bestaande voorkeur van de mens voor rechthoekige stukken papier waarvan de lengte en de breedte zich tot elkaar verhouden als één tot ongeveer de wortel uit twee.

Robin Kinross: Het A4’tje en wat eraan voorafging. Een korte blik op de lange historie van papierformaten. Vert. Henk Schreuder. Bert Bakker. 44 p. € 15,-.