Zolang links verdeeld is, zal de rechtse Berlusconi heersen

Zondag mogen de Italianen de nieuwe leider kiezen van de Democratische Partij: de grootste oppositiekracht.

De partij zweeft tussen hopeloosheid en vernieuwing.

Het gebeurt op klaarlichte dag. Voor de ogen van zijn zoontje wordt Luigi Tommasino, gemeenteraadslid van de Italiaanse Democratische Partij (PD), op 3 februari doodgeschoten in het centrum van Castellammare di Stabia bij Napels. Nu, acht maanden later, blijkt dat de moordenaar ook lid is van de PD.

De buitengewoon voorzitter van de partij in Napels, Enrico Morando, luidt de alarmbel. „De Camorra probeert te infiltreren in de Democratische Partij.” Verontrustend nieuws dat naar buiten komt enkele dagen voor de primaries, waarmee de Democratische Partij zondag haar nieuwe voorzitter kiest die de strijd tegen Silvio Berlusconi moet gaan leiden. Een strijd die de partij, als er vandaag verkiezingen zouden zijn, „zonder meer zou verliezen”, aldus opiniepeiler Nando Pagnoncelli.

De samenloop van omstandigheden tussen de moord en de primaries is tekenend voor de toestand waarin de Democratische Partij zich bevindt. Enerzijds loopt zij voorop in Europa als het gaat om het experimenteren met nieuwe instrumenten om de kloof tussen burger en politiek te overbruggen. Niet de oude partijelite, maar de linkse kiezers krijgen bij de primaries het laatste woord over wie de partij mag gaan leiden. „Dat is zeer positief”, stelt Paul Ginsborg, hoogleraar geschiedenis in Florence. „Hier wordt een experiment aangegaan dat sociaal-democratische partijen in de rest van Europa met aandacht zouden moeten volgen”.

Anderzijds vergroot de drang van de PD tot hernieuwde worteling in de samenleving de kans op infiltratie door de georganiseerde criminaliteit, die vooral in Zuid-Italië grote invloed heeft op het dagelijks leven. De grootste kanshebber voor het partijleiderschap van de PD, Pierluigi Bersani, benadert het probleem op een pragmatische wijze. Hij heeft een alliantie gesloten met oud-regiobestuurder Antonio Bassolino die veel lokale steun geniet, maar wordt verdacht van gesjoemel. „Als we zeggen dat het zuiden van Italië alleen maar rotzooi is, laten we de mensen aan hun eigen lot over”, legitimeert Bersani zijn keus. „We hebben behoefte aan vernieuwing en nieuwe generaties in de partij.” Maar om dat te realiseren moet hij eerst winnen, vindt Bersani.

De Democratische Partij vecht met zichzelf, met haar verleden, en tegen het wantrouwen van de linkse kiezer die af wil van Berlusconi, maar die ziet dat ook de PD niet schoon is. Binnen de partij is men zich ervan bewust dat het „heel moeilijk” zal zijn een krachtig en betrouwbaar alternatief te smeden, waarmee de door het ontnemen van zijn onschendbaarheid, verzwakte premier Silvio Berlusconi kan worden verslagen.

Een overwinning wordt op zijn vroegst over twee tot drie jaar een haalbare zaak, zo erkennen de drie kandidaatleiders Pierluigi Bersani (58), Dario Franceschini (51) en Ignazio Marino (54). „Om te oogsten moeten we eerst zaaien”, meent Bersani.

Maar wat te zaaien? De drie zijn het oneens over de manier waarop Berlusconi moet worden aangepakt. Dario Franceschini, de belangrijkste concurrent van Bersani, pleit voor een agressieve strategie: „Men vraagt ons feller oppositie te voeren en niemand zal mij ervan overtuigen om dat behoedzamer te doen.”

Bersani wil daarentegen langzaam bouwen, rustig wachten tot Berlusconi zichzelf verbrandt, en dan een doortimmerde coalitie met andere partijen presenteren: „Uiteindelijk is de grootste anti-Berlusconiaan degene die hem weet te verslaan”.

Het linkse electoraat is de teleurstelling van het debacle van de regering Prodi nog immer niet te boven. Al na anderhalf jaar viel het kabinet als gevolg van onderling geruzie, gebrek aan daadkracht, en een onderzoek naar corrupt handelen van minister van Justitie Clemente Mastella. Toen de openbare aanklagers hun pijlen op hem richtten, onttrok hij uit woede de steun van zijn splinterpartij Udeur aan de coalitie en viel de regering Prodi in januari 2008.

De PD verloor in april 2008 met 33 procent van de stemmen van Silvio Berlusconi. Een nieuwe verkiezingsnederlaag volgde bij regionale verkiezingen in februari 2008, toen de PD op 27 procent bleef steken.

Grote vraag is of de nieuwe leider van de PD straks in staat zal blijken om een stabiele coalitie te smeden met de christen-democraten van Pier Ferdinando Casini die tijdens het tweede kabinet Berlusconi de zakenmanpremier steunde. Minstens zo moeilijk zal het worden om Antonio Di Pietro van ‘Italië van de Waarden’, die zich het laatste jaar veel meer dan de PD heeft gemanifesteerd als oppositieleider, binnen een coalitie rustig te houden. Volgens opiniepeiler Pagnoncelli zal Di Pietro zich ontpoppen tot de achillushiel van een dergelijke coalitie. „Hij past dezelfde populistische tactieken toe als Berlusconi.”

Het risico op infiltratie door de georganiseerde criminaliteit in de PD is volgens hem electoraal gezien van minder belang. „Alle partijen hebben ermee te maken. De kiezer weet dat.”