Voor 't gemak vergeet Mak de xenofobie

Is het alleen aan de ontzuiling te wijten dat verpleegsters, meesters en handarbeiders zich door de PvdA vernederd voelen? En komt dat werkelijk doordat zich tussen de bestuurders een nieuwe consultantkaste gewrongen heeft, zoals Mak beweert? Ik wil hem zo graag geloven. Maar de werkelijkheid is anders, betoogt Meindert Fennema.

(Illustraties Bas van der Schot)


Schot, Bas van der

Geert Mak geeft een verklaring voor de neergang van de PvdA en de opkomst van Geert Wilders (Opinie & Debat, 17 oktober). Aan de hand van een vergeelde foto uit 1941 en van een aantal gesprekken in het café ‘Het Wapen van Baarderadeel’ te Jorwerd. In die verklaring speelt oom Petrus een heldhaftige rol als schoolmeester. Van eenvoudige komaf, „maar ze hadden zich uit de geestdodendheid van de armoede een weg naar boven gevochten. Ze voelden zich voorhoede, maar tegelijkertijd hadden ze een heilig ontzag voor de arbeid, voor het gewone werk dat dag na dag moet worden gedaan.”

Laten wij aannemen dat Mak het bij het rechte eind heeft en dat hij de opvattingen van oom Petrus en zijn collega’s kan veralgemeniseren tot de opvattingen van de meerderheid van schoolmeesters van vlak na de oorlog.

Maar met de verpleegsters en de handarbeiders van weleer, die volgens Mak de bezielende leiding van de schoolmeesters beloonden met een stem op de partij van hun zuil ARP of de KVP, krijgen wij wel een heel roze beeld van de jaren vijftig.

Maar laten we – for the sake of the argument – aannemen dat de verpleegsters, de handarbeiders en de schoolmeesters in de jaren vijftig allemaal op de PvdA, de ARP of de KVP stemden. Is het dan alleen aan de ontzuiling te wijten dat diezelfde verpleegsters, meesters en handarbeiders zich nu door de PvdA vernederd voelen? En komt dat werkelijk doordat zich tussen de bestuurders een nieuwe kaste, die van consultants en interim-managers, gewrongen heeft, zoals Mak beweert?

Maar lang niet alle consultants en interim-managers zijn slecht, net zoals de verpleegster, de handarbeiders en de schoolmeesters van weleer niet allemaal zo nobel waren als Mak suggereert. Hij citeert een bejaardenverzorgster die te veel managers en te weinig handen aan het bed ziet. En Mak concludeert met treurnis: „Ja, die verzorgster stemde Wilders.”

Pardon? Waarom zou die bejaardenverzorgster Wilders stemmen om de redenen die Mak opsomt? Zou het niet meer voor de hand liggen dat zij om die redenen voor Agnes Kant kiest? De argumentatie die Mak opbouwt in zijn nostalgisch essay leidt helemaal niet naar de PVV, maar naar de SP. Dat impliceert Mak zelf ook als hij over de stamgasten van ‘Het Wapen van Baarderadeel’ zegt: „Zij stemmen vaak nog PvdA, meer uit gewoonte dan uit overtuiging en niet zelden vooral om Wilders tegen te houden.”

Nu wil het toeval dat ik tussen 1973 en 1987 in Baard gewoond heb, drie kilometer verwijderd van Maks stamcafé, waar ik toen weleens kwam. Vandaar dat ik de mensen die hij in zijn beroemde boek over Jorwerd prachtig beschreven heeft, bijna allemaal gekend heb. Ook de stamgasten van ‘Het Wapen van Baarderadeel’. Soms aardige mensen, daar niet van. Maar de PvdA’ers waren daar sterk in de minderheid en vaak waren dat welzijnswerkers die zich, net als Geert Mak, meester gemaakt hadden van een arbeiderswoning of een boerderijtje. De middenstand en de arbeiders waren – samen met God – uit Jorwerd verdwenen. De overgebleven boeren stemden Fryske Nasjonale Partij of VVD. Mijn buurman – een overtuigde VVD’er – vertrouwde mij 25 jaar geleden al toe: „Ze moesten een atoombom op Amsterdam gooien.” Dat leek hem de enige oplossing voor het drugsprobleem en de buitenlanders die de hoofdstad ook toen al onveilig maakten. Er was toen nog geen sprake van Wilders of van Fortuyn, alleen Janmaat deed van zich spreken, maar daar stemde in Baard toen niemand op.

De aantrekkingskracht van het stuk van Geert Mak is dat het stemmen op zijn naamgenoot niet verklaard wordt door vreemdelingenhaat, maar door het falen van de politieke elite. Het volk is niet racistisch, de eer is gered. Maar daarmee de PvdA nog niet. En het is de vraag of de analyse van Mak helpt bij het redden van die partij.

In dezelfde tijd dat mijn buurman Amsterdam met een atoombom wilde elimineren om toevloed van immigranten te keren, sprak Marcus Bakker een congres toe van de CPN. In zijn toespraak verklaarde hij met nadruk: „De Nederlandse arbeider ís niet racistisch.” Er volgde een luid en langdurig applaus. Ik was daarbij en ik weet nog dat ik dacht: wishful thinking. Maar ik klapte mee, want ik wilde het zo vreselijk graag geloven, net als al die andere aanwezigen. Het was volgens Bakker niet de schuld van de arbeiders dat zij xenofoob waren, maar van Hans Janmaat en van die verderfelijke reformisten van de PvdA die niet meer voor de arbeidersbelangen opkwamen.

Dat was het geheim van Marcus Bakker: wij wilden hem zo graag geloven. En dat is ook het geheim van Geert Mak.

De werkelijkheid is anders. Wij weten dat in ieder geval vanaf 1994 de meerderheid van de Nederlandse bevolking voor beperking van de immigratie is, en dat diezelfde meerderheid van de immigranten eist dat zij zich aan onze cultuur aanpassen. De politieke partijen waren echter van mening dat de integratie van immigranten kon plaatsvinden ‘met behoud van eigen identiteit’. De eis van assimilatie werd beschouwd als een vorm van racisme en was dus strafbaar.

De oplossing van het probleem dat Mak beschrijft, begint – moet eindelijk beginnen – met het respecteren van de mening van alle burgers, en moet de mening van de Wilders-aanhangers niet reduceren tot frustraties die door consultants en interim-managers veroorzaakt zouden zijn. Het is veeleer zo dat tot 2001 in de politieke arena geen partij toegelaten werd die de kritiek van een groot deel van de bevolking op het integratiebeleid vertegenwoordigde.

Meindert Fennema is hoogleraar politieke theorie van etnische verhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam.