Twee politieke kneusjes op het wereldtoneel

Je zou ze bijna gaan missen, de neocons van George W. Bush, die nooit een kans voorbij lieten gaan om de Verenigde Naties er flink van langs te geven. Want wie houdt de VN nog scherp, nu Amerika onder Obama weer volledig in de volkerenorganisatie is gaan geloven?

Zelfs ijzervreter John Bolton liet vorige week niet van zich horen. De man was nauwelijks meer dan een jaar VN-ambassadeur, maar zijn naam wordt op het hoofdkwartier van de VN in New York nog altijd met huiver uitgesproken. Als commentator stuurt hij zijn ongezouten meningen tegenwoordig meerdere malen per week de wereld in, maar deze keer moet hij hebben zitten suffen.

Want vrij ongemerkt heeft de Algemene Vergadering van de VN vorige week twee zwaar kreupele spelers opgesteld in het belangrijkste team van de wereldpolitiek. In de Veiligheidsraad, die moet toezien op vrede en veiligheid in de wereld, zullen vanaf 1 januari twee landen plaatsnemen die niet eens in staat zijn zichzélf te besturen. Twee kleine staten die intern zo verdeeld zijn dat ze alle zeilen moeten bijzetten om als staat te kunnen functioneren.

Vijf nieuwe leden zijn voor een termijn van twee jaar in de Veiligheidsraad gekozen: Nigeria en Brazilië, die eigenlijk vinden dat ze belangrijk genoeg zijn voor een permanente zetel in de Raad; het kleine Afrikaanse Gabon, dat geen modeldemocratie is maar dat komt vaker voor; en ten slotte Libanon en Bosnië, die sinds jaar en dag zélf zorgenkindjes van de Veiligheidsraad zijn.

Libanon, waar een VN-vredesmacht van ruim 12.000 man is gelegerd, ruziet bijna vijf maanden nadat er parlementsverkiezingen zijn gehouden nog steeds over de samenstelling van de nieuwe regering – zonder veel uitzicht op een oplossing. Maar de VN-ambassadeur zei na de stemming in New York trots dat Libanon „als land van tolerantie en diversiteit een speciale missie heeft” in de Veiligheidsraad, om daar „een dialoog van cultuur en beschaving” te stimuleren.

Zit Libanon in feite zonder regering, het arme Bosnië heeft – dankzij de gecompliceerde bepalingen van het vredesverdrag van Dayton – maar liefst dertien regeringen, drie presidenten, 180 ministers en 700 over verschillende parlementen verspreide volksvertegenwoordigers. Onderhandelingen over de vraag hoe het in hemelsnaam verder moet met het verscheurde land zijn deze week, veertien jaar na het einde van de bloedige burgeroorlog, opnieuw op niets uitgelopen.

De Britse VN-ambassadeur gaf nog een mooie draai aan de verkiezing van de twee politieke kneusjes in de Veiligheidsraad: door de oorlogen die ze nog maar kort geleden hebben meegemaakt, brengen ze een bijzondere ervaring mee naar de beraadslagingen. Ook opperde hij dat de verantwoordelijkheid die ze nu op het wereldtoneel gaan dragen, hun nationale regeringen zal versterken en hun politici een bredere, internationalere blik zal geven.

Wie weet. Maar het is wel de omgekeerde wereld. Twee politiek instabiele landen laten meepraten over de grote conflicthaarden in de wereld, over uitzending van vredestroepen en instelling van oorlogstribunalen, ze bovendien laten meestemmen over resoluties die wereldwijd kracht van wet hebben – en waarom? Om ze er thuis weer bovenop te helpen.

Nu is de macht van de niet-permanente leden van de Veiligheidsraad beperkt. Meestal maken de vijf permanente leden de dienst uit: de VS, Rusland, China, Groot-Brittannië en Frankrijk. Zij hebben allemaal het vetorecht.

En de verdeeldheid tussen de grote vijf is een aanzienlijk groter obstakel voor de effectiviteit van de Veiligheidsraad dan de zwakte van enkele van de tien tijdelijke leden. De wereld heeft ook het lidmaatschap van Libië en Vietnam (nog twee maanden te gaan) overleefd.

Maar om in de vijftien man sterke raad een resolutie aangenomen te krijgen, zijn negen stemmen nodig. De stellingname van de niet-permanente leden kan er daarom op cruciale momenten wel degelijk toe doen.

Van twee kleine landen die zo opgeslokt worden door hun eigen sores, kan niemand verwachten dat ze de mankracht hebben zich te verdiepen in de complexe materie die vaak in de Raad aan de orde komt. En hoe moet Libanon zich opstellen als het nucleaire programma van Iran op de agenda komt, terwijl het zelf zo’n complexe relatie met Teheran heeft?

Niet-permanente leden van de Veiligheidsraad worden als kandidaat naar voren geschoven door de regionale groepen waarvan ze deel uitmaken: zo hebben we Libanon aan het Aziatische en Bosnië aan het Oost-Europese blok te danken. Soms werpen landen die zich door hun groep gepasseerd voelen zich in de Algemene Vergadering alsnog op als tegenkandidaat. Maar dit jaar bleven de rijen gesloten en stemde de Algemene Vergadering met grote meerderheid voor de enige kandidaten die er waren.

Het Handvest van de VN bepaalt uitdrukkelijk dat bij de selectie van nieuwe leden speciaal gelet moet worden op de bijdrage die ze kunnen leveren aan het bewaren van de internationale vrede en veiligheid. Maar in de praktijk rouleren de niet-permanente zetels. Wie een beetje lobbyt kan er aanspraak op maken dat zijn land nu ook eens aan de beurt is.

Dit kan tot ongemakkelijke situaties leiden. Dat bleek in 1994, toen Rwanda aan de beurt was. In datzelfde jaar barstte in dat land de genocide los. Het regime dat voor het bloedbad verantwoordelijk was, zat in de Veiligheidsraad – die maar niet kon beslissen of er ingegrepen moest worden.

Soms kunnen niet-permanente leden zich opwerpen als „het geweten van de raad”, als pleitbezorgers voor de mensenrechten, bijvoorbeeld als de permanente vijf er hun vingers niet aan willen branden. Nieuw-Zeeland en Tsjechië speelden die rol in 1994, toen ze de raad probeerden te overtuigen van de noodzaak in Rwanda tussenbeide te komen.

Voor zo’n rol missen Libanon en Bosnië de politieke kracht. De wereld had beter verdiend, vooral nu de VN met het aantreden van Obama zoveel nieuwe kansen heeft.

Juurd Eijsvoogel is redacteur van NRC Handelsblad

Wilt u reageren? Dat kan via nrc.nl/eijsvoogel (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)