'Schrijven voelt niet als een vak'

Het konijn Pons maakte een onvermoede zachtheid in Thomas Rosenboom los. Het dier was tevens de aanleiding voor zijn nieuwe roman Zoete mond. Een interview met Rosenboom en een recensie van het boek van de auteur, die op zaterdag 7 november een van de hoofdgasten is op het NRC Boekenpodium.

Thomas Rosenboom: 'Dierenvrienden zijn aardiger dan dierenhaters' (Foto Roger Cremers) Nederland, Amsterdam, 25-08-2009 Thomas Rosenboom (Doetinchem, 8 januari 1956) is een Nederlands schrijver van romans en korte verhalen. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Zoete mond is een typische Rosenboomroman: tragisch en toch ook geestig, onheilspellend en ook hoopgevend. Maar ontroerender, zachtaardiger, ook iets gewoner van stijl dan we van hem gewend zijn.

„Dat snap ik wel”, zegt Rosenboom, in zijn Amsterdamse binnenstadswoning. „Het verhaal is minder heftig dan anders. Als water niet zo hard stroomt, gaat het kronkelen. Dan krijg je een delta en dat heeft iets lieflijks. Ik zie dit boek als een meanderende rivierdelta. Mijn eerdere boeken hebben net iets meer richting en vaart.”

Wat vormde de aanleiding tot deze meanderende roman?

„Bij mijn andere boeken had ik eerst een verhaallijn, nu begon het met een gevoel. De aanleiding was Pons, het konijn dat hier een jaar of zes geleden gekomen is. Hij maakte veel onvermoede zachtheid in mij los. Dat veranderde mij. Ik zag op straat ineens ook veel mooiere dingen dan daarvoor. Daar wilde ik iets mee doen, met die zoete mond, met dat weekmakende gevoel van dierenliefde. In mijn pamflet Denkend aan Holland (2005) speelde het ook al een rol. Daarin stelde ik voor om gewelddadige criminelen naar natuurprogramma’s te laten kijken in plaats van naar agressieve films. Maar beter nog lijkt het mij nu dat ze een dier krijgen, om voor te zorgen. Je moet natuurlijk niet als enige gevangene een hamster in je cel hebben en daar dan over praten op de luchtplaats – dat is zelfmoord. Maar als iedereen er eentje heeft, kan ik me voorstellen dat dat tot een algemener besef leidt dat andere wezens ook gevoel hebben en pijn kunnen lijden.”

Is een dierenvriend een beter mens?

„Je denkt dan natuurlijk meteen aan Hitler en zijn hond, maar ik denk wel dat dierenvrienden aardiger zijn dan dierenhaters. Belangeloos zorgen voor een dier zie ik als een oefening in menselijkheid. Toen dat dierengevoel in mij losbrak, herinnerde ik mij een documentaire die ik had gezien op tv over die Canadese walvis, die een maand lang door de Rijn zwom. Wat mij aangreep, was minder het dier zelf dan de mensen die ernaar keken. Hun gezichten stonden strak van ontroering. En zo kwam ik op het idee van een klein, zelfbedacht dorpje aan de Rijn, waar ik een dierenarts in wilde hebben die geen serieus te nemen praktijk uitoefent, maar die wel de dierenliefde bij de dorpelingen kan laten ontbranden. En daar komt dan op een zeker moment die vis voorbij zwemmen: als cumulatiepunt van dierenliefde.”

En als de vis voorbij is, dan stort de dierenliefde weer in.

„Ja, dan is het sprookje uit. Zo zit het hele boek in elkaar. De vis verschijnt en verdwijnt weer. De dierenliefde steekt op en gaat weer liggen. Er komt een man in het dorp wonen en hij gaat weer weg. De hele tijd gebeurt er iets en dan houdt het weer op. De mensen worden opgetild en weer neergelaten, door de gebeurtenissen en door het lot. Zo hoop ik dat de lezers ook door het boek worden opgetild uit hun gewone leven – dat het een belevenis is.”

Het gaat toch niet alleen om golfbewegingen? U werkt met flinke tegenstellingen.

„Het gaat mij ook om contrasten. Mijn personage Jan de Loper heeft een enorme geldingsdrang, het personage Rebert totaal niet. Gek eigenlijk dat ik mij met Rebert veel meer verwant voel. Hij is overdreven bescheiden en totaal niet fanatiek. Hij heeft geen enkele drang. Jan de Loper heb ik ontleend aan een biografie over Kees de Tippelaar, een man die rond 1870 beroemd werd omdat hij allerlei voettochten maakte en zich excentriek gedroeg. De man riep afkeer bij mij op. Die overviel me net zo als de dierenliefde die het konijn opwekte. Dierenliefde en afkeer, die twee moesten samen een balans gaan vormen.”

Is die afkeer gebleven?

„Als je je langere tijd in iemand verdiept, dan krijg je ook begrip. Te prijzen valt in Jan de Loper dat hij zich sterk maakt voor een jongen als Donald Duk, die gepest wordt met zijn naam. Hij helpt hem emigreren naar een Afrikaans land, waar niemand de Donald Duck leest. Dat verwacht je niet van zo’n egocentrische man. Bijzonder is ook zijn reactie als hij erachter komt dat Donald elke middag met zijn Vlaamse Reus in de zandbak zit om zijn dierenliefde ongestoord te kunnen botvieren. ‘Die aanblik komt mij niet toe’, denkt hij dan, en wendt zich af. Ik zie mijn andere personages dat niet doen! Toen ik inzag hoe eenzaam Jan de Loper was, verging mij het lachen wel. Als je vanuit die leegte grappen maakt, is dat tragisch.”

Een hoogtepunt in uw roman is de beschrijving van een zeiltocht in zwaar weer.

„Dat heb ik ooit zelf zo meegemaakt met mijn zwager. De mast kwam los en de motor deed het niet meer. We konden alleen nog maar ankeren en hebben ons uiteindelijk naar de wal laten slepen.

„Zeilen is welbeschouwd het enige wat ik echt goed kan. Terwijl ik nu niet zomaar iets zou kunnen verzinnen. Schrijven voelt niet als een vak dat je beheerst, zoals zeilen. Je moet het hebben van invallen.”