Roken op het slagveld is ongezond

‘De laatste dagen der mensheid’ van Karl Kraus mag met ruim 500 personages onspeelbaar zijn, onleesbaar is het niet. Integendeel: het is nog steeds een meesterwerk.

Karl Kraus: Die letzten Tage der Menschheit. Vertaald door Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet als De laatste dagen der mensheid De Harmonie, 400 blz. € 29,50

Een toneelstuk van honderden pagina’s en honderden personages: je kunt je afvragen of Karl Kraus met zijn grootse satirische drama Die letzten Tage der Menschheit (1918) het juiste middel had gekozen om WOI en alles en iedereen daarom heen aan de kaak te stellen. Het stuk is onspeelbaar, en je moet ook als lezer je best doen in dit apocalyptische carnaval het hoofd boven water te houden. Onleesbaar is het echter niet. Integendeel. Het is een meesterwerk.

Hij moet een bezeten man zijn geweest, Karl Kraus. Wonderlijke vent. In 1911 liet hij zich als Jood tot het rooms-katholicisme bekeren. Dat mocht in het antisemitische Wenen een tactische zet betekenen, je moet er wel de goede smaak voor opzijzetten en of het helpt is maar de vraag. Voor zijn grote liefde Sidonie Baronesse Nadherny von Burotin leerde Kraus paardrijden. Een tweede knieval, die evenmin zou helpen. Hij zou altijd ‘vreemd’ voor haar blijven, zoals de edele dichter Rainer Maria Rilke haar zo vilein voorspelde. Privégegevens uiteraard, maar misschien verklaren ze iets van het literaire temperament van Karl Kraus, die schreef met een in vitriool gedoopte dolk. Hij deed dat in zijn tijdschrift Die Fackel, dat hij lange jaren helemaal zelf volschreef. Bijna dertigduizend pagina’s. Daarnaast schreef hij een aantal toneelstukken en polemische essays: Die demolierte Literatur (1897), Sittlichkeit und Kriminalität (1908), Literatur und Lüge (1929).

Kraus’ De laatste dagen der mensheid is een duizelingwekkend megadrama. Het stuk bevat meer dan 500 personages en zou integraal uitgevoerd vele avonden beslaan. Ik kan het niet vaak genoeg zeggen: langzaam lezen is geboden. Kraus was een ervaren theaterman. Hij begon als acteur en bleef zijn leven lang optreden. Maar de lezer moet hier zijn weg vinden in een kakofonie van stemmen. De nadruk ligt sterk op het Weense thuisfront tijdens WOI, journalisten, operabezoekers, de publieke opinie op straat en in het café. De oorlogshandelingen volgen we indirect, op een aantal bijzonder trefzekere scènes na.

Centraal in het stuk staat de Nörgler (treffend vertaald als Kniesoor), een alter ego van Kraus, die uitgebreid commentaar levert op de corruptie en de oorlogshetze, veelal in dialoog met het personage De Optimist. Met name die passages hebben een laag dramagehalte. Het zijn ook beslist niet de sterkste stukken in De laatste dagen. Ik doel daarbij uiteraard niet op een van Kniesoors allermooiste uitspraken: ‘In deze grote tijd die ik nog ken van toen ze heel klein was, en die weer klein zal worden als ze de tijd krijgt.’ De laatste dagen zindert verder van de onvergetelijke scènes. Café Westminster te Wenen dat uit nationalistische overwegingen wordt omgedoopt in Café Westmünster. De aalmoezenier die zegt: ‘Met Gods wil zou ik ook graag ’s ’n keertje een kanon proberen.’ Ene Von Dreckwitz die meent: ‘Oorlog is toch wel de natuurlijkste bezigheid van de mens.’ Het liefdesgebod van Jezus, dat volgens de Lutherse bisschop Valkx niet geldt in het uur van de strijd. Een professor die klaagt over het rookgedrag van de frontsoldaten (ongezond, hartklachten) en uitroept: ‘Men heeft zonder de tabak te kennen toch ook al eeuwenlang oorlog gevoerd? Wat er tegenwoordig op de slagvelden voor een rook hangt, daar zijn geen woorden voor!’ Het onbewuste zo niet onnozele cynisme van embedded journaliste Alice Schalek. Schatertranen belemmeren niet zelden het lezerszicht op Kraus’ tekst. Kraus’ tijdgenoten moeten wel lelijk op hun neus hebben gekeken. Velen vonden zichzelf met naam en toenaam in het stuk terug, nota bene met hun eigen woorden. Karl Kraus gebruikte de techniek van Flaubert uit diens Woordenboek van pasklare ideeën (1881): selectief citeren. Een even hilarische als dodelijke methode.

Het leesgenot van De laatste dagen wordt nog eens bevorderd door de vertaling van Bindervoet en Henkes. Verbijsterend goed. Waar Kraus veel dialect gebruikt, bij beide heren lezen we dingen als ‘Servië vegeme van de káárt’, ‘stantapee’, ‘ons soort mengsen’, ‘hoedendohg, heu Hugo, hebbu nikx ghoord van Bahr?’ Werkt uitstekend. Het zijn bandeloze mannen, de vertalers Bindervoet en Henkes. Ik weet niet of zij het zijn die illustrator Aart Clerkx vroegen De laatste dagen te illustreren, maar wat mij betreft passen diens bijdragen niet echt bij Kraus’ stuk. Ook de pastiche van eigen hand die beide vertalers achter in deze ‘Klassiek. Geïllustreerd’-editie opnamen, een Uruzgan-versie die ‘De allerlaatste dagen der mensheid’ heet, is een overbodige exercitie.

Een briljant idee daarentegen is de door Robbert-Jan Henkes toegevoegde beeldbijlage. Advertenties uit de bladen die Kraus’ personages lezen of volschrijven. Wondpoeder-reclame, Kriegshandschuhe (‘immer schussbereit’), begrafeniskleding van het Trauer-Magazin. De laatste dagen der mensheid. Je moet even bijkomen als je het uit hebt, en dan begin je meteen opnieuw.