Overbodige ledematen

Naar een film kijken kan je schaden. In de straten van Brussel begint een bioscoopbezoekster aan een eenzaam avontuur.

Toen ik als kleuter een foto van pater Damiaan op zijn sterfbed zag, werd ik vegetariër. In de biefstuk die mijn mama ’s avonds op mijn bord legde, zag ik het melaatse vlees van pater Damiaan en dat kon ik onmogelijk opeten. Wanneer de eindgeneriek van de film Antichrist begint, loop ik nog verder door het dichte woud waar de film is opgehouden. Ik kan het verhaal niet zomaar inslikken maar blijf erop kauwen en zal vontrieriër worden.

Als een zware astmapatiënt kom ik uit de filmzaal, obsceen hijgend. Ik krijg niet voldoende zuurstof in mijn lijf en geen woord uit mijn lijf. Op het verwarmde terras van het chique hotel Metropole drinken toeristen chocomelk. Omdat de kans bestaat dat het helpt, ga ik op mijn hoofd staan. De toeristen kijken lusteloos mijn richting uit.

Staand op mijn hoofd is de verstikkingsdood pas echt nabij. Het kan alleen maar beter worden als ik weer rechtsta. Of nog slechter. Terug op mijn beide benen staand kan ik opnieuw regelmatig ademhalen maar nu beeft mijn linkerhand. Ik heb de hand van een bouwvakker al zo zien beven toen ze naast hem op de grond lag. De hand was vast geraakt in de ketting van een katrol en afgerukt. Ik wrijf over mijn hand om haar te kalmeren. Ze bedaart.

Naar een film kijken kan je schaden. Antichrist toont de donkerste trip van een wanhopige ziel en daar ben ik vrijwillig in mee gestapt. Mensen zijn vrij om zichzelf pijn toe te brengen zoals zij dat zelf willen. Kiezen voor je eigen pijn is misschien wel de hoogste vorm van vrijheid. Als dat waar is, dan is deze film een ode aan de vrijheid.

Maar ik heb niet gekozen voor deze verlamde linkerhand. Kon ik praten, dan vroeg ik dadelijk raad aan een waarzegster. De waarzegster zou mijn ijskoude hand vasthouden en voelen waar het bloed gestopt is met stromen. Waarom de koude tot in de toppen van mijn vijf vingers kruipt.

Maar op dit uur zijn de waarzeggers al gaan slapen. Het is bijna middernacht. Mijn hand en ik gaan dan maar naar huis. Er zijn geen kindjes op straat want die liggen allemaal onder hun donsdekens te slapen, naast wakkere beertjes met zwijgende knoopmonden. Natuurlijk zullen er ook vannacht enkele kindjes overlijden, zoals iedere nacht gebeurt, altijd, overal, al eeuwen lang. Ver boven ons waken de rode ogen van een verre satelliet.

Op dit moment, ergens, in Denemarken bijvoorbeeld, kruipt een jongetje op het bureaumeubel, opent het raam en stapt nieuwsgierig zijn dood tegemoet. Na een korte zweefvlucht smakt zijn lijfje tegen het asfalt terwijl zijn ouders seks hebben.

Wanneer zal Denemarken zinken? En wanneer volgen wij? En kan je het nieuwsgierige kindje in jezelf ooit nog terugvinden als je zo diep gezonken bent en zo gebroken in de afgrond gelegen hebt dat je enige lichtpunt de Apocalyps was? Von Trier is daar geweest, hij weet het.

„Gaat het, mevrouw?” hoor ik plots een stem vragen die mij bekend voorkomt. Gebroken Engels met een zoemende ondertoon. Ik herken hem. Het is Lars von Trier die zegt: „Ik zag u zonet op uw hoofd staan.” Hij is mij gevolgd.

„Het gaat”, zeg ik, verbaasd dat ik weer kan praten, „wilt u misschien iets gaan drinken?”

„Mevrouw”, zegt Von Trier beleefd maar gehoorzaam aan zijn rang en stand, „ik ken u niet.”

„Maar Lars”, zeg ik, „ik ken u toch ook niet.”

„Mevrouw”, zegt hij, „u staat niet alleen. Ik kan u doorverbinden met gelijkgezinden.”

„Met wie doorverbinden?”

„Met mensen die ook dorst hebben”, zegt hij.

„Het is niet omdat ik vraag of u iets wil gaan drinken, dat ik dorst heb”, zeg ik. „Ik wilde gewoon dat u zou stoppen met me achtervolgen en weg zou gaan. Naar een café bijvoorbeeld.”

„Ach, vrouwen. Onmogelijke wezens om mee te converseren”, zucht Von Trier.

Hij volgt alle stappen van een normale conversatie en negeert wat tussen de lussen van de letters valt. Lars draait zich om en zegt nog: „Ik wens je een fijne avond. En laat eens naar je hand kijken. Christus, het lijkt wel de hand van een lijk.”

Het is waar. Mijn linkerhand hangt aan mijn pols als een geknakte bloem. Gevoelloos waait ze heen en weer.

„Dat los ik zelf wel op”, zeg ik. „Gaat u maar terug naar de allerkoudste plaats op aarde, meneer. Ik zie u daar.”

Onverklaarbaar genezen komt mijn verlamde linkerhand weer overeind. Ze balt zich tot een vuist en voor ik het besef richt ze zich tegen mij en haalt ze loeihard uit. Ze treft me loodrecht op mijn neus. Goede slag, van de eerste keer raak. Er breekt iets in mijn neus. Het klinkt als een trekbommetje dat afgaat. De laatste toeristen kijken verschrikt en zoeken hun hotelkamers op. Deze stad is niet zonder gevaren.

‘Mijn hand gleed uit’, zo sus ik mezelf. Dat kan voorvallen. Ik besluit te doen alsof er niets is gebeurd. Het bedaart mijn hand. Zij en ik wandelen verder naar huis. Zij weegt zwaar, veel zwaarder dan toen zij nog gewoon warm en van mij was. Ze kan nauwelijks volgen. Ze puft en klaagt. Ik zou haar haast een wandelstok moeten geven om mijn tempo te kunnen bijhouden, maar in deze stad vind ik alleen huurfietsen, daklozen en rijdende discowagens. Ik steek haar in mijn zak. Zij rilt.

Thuis gekomen leg ik mijn hand in een warmwaterbadje waar ik een scheut gember-kersenolie aan toevoeg. Daarna schud ik haar tot ze warm zou moeten zijn. Ik beadem haar. Ik steek haar in mijn mond en wil er leven in zuigen. Maar de koude kruipt steeds verder naar binnen, langs alle vijf vingers. Ik ben slim genoeg om voor alles een oplossing te vinden. Dat zegt iedereen – als ze genoeg hebben van mij.

De hele nacht liggen de hand en ik in bed maar de slaap kruipt niet bij ons. Zzzz, snurkt de diepvriezer zonder ooit te onderbreken, zonder ooit naar adem te happen. Ik til mijn dood stuk vlees op met mijn rechterhand en leg het op mijn buik.

Ik dwaal door het ijspaleis van mijn gedachten. Zo dadelijk vriest mijn hand nog af. Kan dat? Nee, uitgesloten. Ik vertel mezelf verhaaltjes om in slaap te vallen. Zo zal Absolut Vodka me binnenkort een rol in hun grootse reclamecampagne aanbieden. Ik troost mezelf met de geneticaleer. Ik ben geboren met een koude-gen. Heel normaal. Vraag maar aan de eskimo’s. Als zij ermee kunnen leven, waarover zeur ik dan?

Je hoort zo veel verhalen. Je moet veranderingen onder ogen zien en zelf keuzes maken. Anders wordt er voor jou gekozen. Er zijn verhalen over mensen die gaan slapen als de fitste mens ter wereld maar hun hart één fatale tel vergeten – ze ontwaken in een lijkwagen. Verhalen over mensen die een overdosis pillen innemen en ze dan toch nog willen uitkotsen, maar ze zijn te bedwelmd, vallen in slaap en stikken. Altijd waakzaam zijn. Je kiest zelf of je ten onder wil gaan.

Hoe meer ik erover nadenk, hoe zekerder ik word. Het is die hand of ik. Met mijn rechterhand sla ik in paniek op de klomp. „Hou ermee op”, schreeuw ik, „maak mij niet kapot.” Ik roep en tier en raas, ik klop haar tegen de bedrand. Ze blijft stoïcijns stijf staan. Niets raakt haar.

Het is nog erg vroeg wanneer er wordt aangebeld. De klomp hand duwt mij uit mijn bed. De slaap heeft haar aan kracht doen winnen. Ze lijkt haast van gewapend beton.

De hand sleurt mij de trap af en trekt de voordeur open.

„De diepvriesman”, stelt hij zichzelf voor. Daar is mijn stalker weer, Lars von Trier. Achter hem krijg ik een stationair draaiende bestelwagen in de gaten. Uitvergrote pizza’s kleven met kaasdraden op de autowand, gifgroene erwtjes rollen door het beeld. Op het portier duwt een reusachtige hand een ijshoorn met brésiliennenoten op naar voren.

De ijskristallen van zijn woorden versieren de lucht maar smelten voor ze tot mij zijn doorgedrongen.

„Look”, hoor ik hem nog net zeggen, „goed voor je bloedsomloop. Je zal geen last meer hebben van je hand.” Hij kijkt me met een brede grijns aan. Voor alles bestaat een oplossing. Maar sommigen willen die niet horen, zoals mijn hand.

Ze begint weer te trillen en vliegt naar voren, naar Lars. Een blok gewapend beton tegen je voortanden is voldoende om een volwassen man te doen huilen van de pijn. Lars springt uit het voorportaal, holt naar zijn bestelwagen en rijdt weg. Ooit zag ik een huilende man en een vrouw in een leeg huis worstelen, als sumoworstelaars van het zwaarste kaliber. Ze kwamen ten val en raakten niet meer overeind. Hoe de ene zich aan de andere vastgreep. Ze vielen keer op keer weer op de grond en konden niet ophouden met proberen en neergaan. Pikzwart verdriet is glad als zeep.

Triomfantelijk hangt de hand in de lucht. Zij, de overwinnaar, blijft even stil nagenieten. Met een duizelingwekkende vaart keert ze zich dan tegen mij. Mijn andere hand, de rechterhand, kan haar nog net tegenhouden. Maar de strijd is ongelijk. Mijn linkerhand heb ik alles geleerd. Mijn rechterhand was altijd het kneusje. Het handje dat steeds ten dienste stond van de linkerhand. Het was de linkerhand die mijn eerste woorden schreef, het was de linkerhand die geliefde en overbodige lichamen streelde. Die twee handen vechten nu. De linker klopt de rechter keihard tegen de deur, verbrijzelt haar, breekt de pols. Ik kerm het uit. De klomp geeft me vier kletsen in het aangezicht waarmee ze bedoelt: ‘Stel je niet aan’. Ik voel de hand nazinderen op mijn verhitte gezicht, in mijn gebroken lijf.

De hand houdt niet op. Ze trekt mijn gewonde lichaam mee door de straten. Ik ben volgzaam. Ik moet tonen dat ik om haar geef, ik wil haar niet verliezen. Is volgzaamheid angst om iets te verliezen?

Voor de grote supermarkt doet ze me stoppen en dwingt mij naar binnen. Aan de kassa vliegen de boodschappen voorbij een rood oog. Bij de zuivelafdeling vraagt een vijftigjarige vrouw haar zoon om de yoghurt op afstand te houden zodat ze het etiket kan lezen. Voor de vleestoog staat Lars weer, de diepvriesman, naar het uitgestalde vlees te gapen. Hij draait zich om, ziet me staan, lacht en toont me zijn lege mond. Een vrouw met een wit kapje op haar hoofd en witte plastic zakken rond haar voeten kijkt ons vragend aan vanachter haar toonbank.

„Stop”, beveelt de hand, „STOP!” De wereld bevriest. De klanten blijven allemaal voor zich uit staren als blinde mensen. Bevroren stukken vlees. De hand sleurt me mee achter de toonbank, trekt de deur van de diepvrieskamer open en sleept mijn lichaam naar binnen. Achter ons slaat ze de deur dicht. Opgesloten tussen koud vlees. Honderden karkassen van donkerrode spieren. Dichter bij de kille natuur ben ik nooit geweest. Ik kijk recht in de doffe ogen van een runderkop die naast de achterpoten staat van zijn in vier gehakte lijf.

De hand leest de rundertong van braillevlees. Zij weet perfect wat haar volgende stap is, zoals een slager precies weet hoe hij een rund fileert. De vijf vingers van de hand tokkelen op de inoxen plaat. Zij bereiden zich voor. Ik kijk naar de hand die mij naar achter duwt en voel hoe de koude van een dood dier over mijn rug kruipt. De hand klapt mijn oogleden toe. Ze trekt mijn mond open, glijdt over mijn tong en ramt haar vijf vingers in mijn keel. Ze roert hard in mijn luchtpijp. Er breekt iets. Ik voel mijn lichaam verstijven. De temperatuur zal snel dalen.

Ik sta buiten. Ik ben een sneeuwvlok en dwarrel omlaag. Ik ben een kleine sneeuwbal die groter wordt en verder rolt tot in de doodsdiepe zee.

Saskia de Coster is schrijfster. Haar laatste roman is ‘Dit is van mij’ (Prometheus, 2009).