Op 't voetbalveld leer je over taal

Als hoogleraar diversiteit in taal en cultuur bestudeert Jos Swanenberg dialecten.

Hij constateert een afkalving van het Algemeen Beschaafd Nederlands.

Hij voelt zich een missionaris. Zodra hij een aanleiding ziet, verkondigt hij op feestjes, in de kroeg en op festivals als zendeling zijn boodschap: dialect is prachtig. Het vertelt ons over de plek en tijd waarin mensen leven. Het verrijkt de taal. Zoals ook Engelse, Surinaamse en Marokkaanse woorden onze taal verrijken. Er bestaat niet zoiets als het enige, correcte Nederlands, vindt Jos Swanenberg (41). Hij werd begin dit jaar door de Universiteit van Tilburg benoemd tot bijzonder hoogleraar diversiteit in taal en cultuur in Brabant. Sinds 2004 adviseert hij bij Erfgoed Brabant over het behoud van dialect.

En – hij houdt het stug vol – zijn inzet voor het dialect heeft niets met zijn vader te maken. Het is puur toeval dat vader Cor Swanenberg al dertig jaar het Brabants dialect als grote hobby heeft. Vader Swanenberg maakte de vijftiendelige cd-reeks Brabants op zijn best. Hij schreef zeker vijftig boeken, soms over, soms in het Brabants, en trad op als verteller en zanger in het dialect.

Zijn zoon wilde dierenarts worden, maar bleek daarvoor op het gymnasium te veel een alfa. Hij slaagde met zes talen in zijn vakkenpakket. In Utrecht studeerde hij Nederlandse Taal- en Letterkunde. In Nijmegen promoveerde hij op het benoemen van vogels in Zuid-Nederlandse dialecten. Zo werd hij ‘toevallig’ een autoriteit op het gebied van het Brabants dialect.

Ziet u zichzelf als dialectbewaker?

„Nee. Taal is van mensen en heeft zonder sprekers geen bestaansrecht. Ik kan niet tegenhouden dat dialectwoorden verdwijnen. Het zou kunstmatig zijn een uitstervende taal in stand te houden.”

Maar u vindt het wel jammer dat dialectwoorden verdwijnen?

„Ja. Als spreker van het Mirrois, het dialect van Middelrode, ben ik gaan houden van woorden. Als wetenschapper heb ik me verdiept in dialecten, er mijn hart aan verpand. Ik vind het jammer dat Brabantse dialecten nu onder druk staan.”

U spreekt Mirrois?

„Ik ben opgegroeid in het dorpje Middelrode. Mijn grootouders woonden bij ons in. Met hen sprak ik het dialect van het dorp. Mijn ouders kozen er bewust voor Nederlands met mij en mijn broer te spreken. Dat vonden ze belangrijk voor onze toekomst, studie, werk. Ik ben tweetalig opgevoed.”

Wat vindt u zo mooi aan dialect?

„Taal is een spiegel van de leefwereld van mensen. Het laat zien hoe mensen de wereld om zich heen duiden. Als dialectoloog moet je taalwetenschapper, historicus en socioloog tegelijk zijn. Een dialect vertelt iets over een kleine, lokale gemeenschap. Een dorpsgemeenschap, een stadswijk. Met agrarische termen, of juist termen van ambachtslieden. Het is geschiedenis, maar heel nabij. Het gaat om de spreektaal van onze ouders en voorouders.”

Nu wonen we niet meer in kleine, gesloten gemeenschappen.

„Het is steeds noodzakelijker om Nederlands te spreken. Toch blijf je altijd een kind van de plek waar je vandaan komt. Dat zie je aan je liefde voor bepaalde feesten, zoals carnaval. Of aan je behoefte om lid te worden van de harmonie. En ook aan de taal die je spreekt. Daarin komt nog steeds je afkomst tot uitdrukking. Brabanders praten met een zachte g, zeggen vaak geen t achter niet, dat of wat. En ze bestellen een frietje en een pilske.”

Maakt u nog deel uit van een kleine gemeenschap met een eigen taal?

„Ik ben al heel lang lid van een voetbalclub. Ik vind de momenten in de kleedkamer en in de kantine belangrijker dan die anderhalf uur op het veld. De gezelligheid, de vriendschap, het geouwehoer. Ik ben niet altijd de prater. Ik ben een observerende participant. Ik bekijk wie de gangmaker is en wie volgen. Ik luister naar de taal die wordt gebruikt. Ik vind het mooi om te zien hoe je met taal een collectief kunt manipuleren. Louis van Gaal is er een meester in. Ervoor zorgen dat elf mannen niet hun koppen laten hangen, maar er ineens weer voor gaan.”

Geen tennis voor u?

„Nee. Daar wordt alleen wat gekreund of gevloekt. Tijdens een voetbalwedstrijd wordt enorm veel gesproken en geroepen. Spelers coachen, schelden en geven richting. Daar geniet ik van.”

Maar het authentieke dialect verdwijnt, hè?

„Ja. En de algemene opinie is dat we straks allemaal Nederlands spreken. Maar daar geloof ik niet in. Ik heb zelfs het idee dat er steeds meer ruimte komt voor verscheidenheid. Vroeger spraken nieuwslezers en politici hetzelfde nette Nederlands. Luister maar eens naar het Polygoon-journaal van veertig jaar geleden. Nu hoor ik steeds vaker accenten. Ik hoor zelfs mensen op televisie zeggen: ‘Groter als mij.’ Het nette Nederlands is minder de norm. Dat is opmerkelijk.”

Dat vindt u mooi?

„Het is normatief om Nederlands te zien als uniform. Je kunt niet zeggen: zo moet het en alles wat mensen anders doen is fout. Die boodschap moeten wij als taalwetenschappers uitdragen. Regels zijn kunstmatig, taalbeperkend. Je kunt grof of netjes praten, met accent of zonder of met buitenlandse woorden. Er is geen goed of fout. Verscheidenheid is rijkdom.”

Ook op school?

„Daar moet niet zomaar een rode streep door ‘hun lopen’. Leraren zouden moeten uitleggen waarom die constructie fout is. Ik zou willen dat ze kinderen de ruimte geven in hun eigen taal, het dialect van Oss, of het Turks, een liedje te zingen. Kinderen moeten leren: die andere taal is niet fout. Nee, die heeft waarde. Maar hier in de klas spreken we Nederlands.”

Hoe draagt u dit ideaal uit?

„Door dialectbeoefening te stimuleren ontstaat er een positiever beeld van het dialect, hoop ik. Door een stuk van Shakespeare in het dialect van Lieshout op te voeren, zien mensen: dialect is niet alleen de taal waarin je vloekt of varkens voert. Je kunt er alles in zeggen wat je wilt zeggen, van carnavalsgrappen tot een Bijbelvertaling.”

Gaat u dat ook aan uw studenten in Tilburg overbrengen?

„Studenten taal- en cultuur leren nu over taalachterstanden van Turkse en Marokkaanse kinderen. Zij weten weinig over de variatie in de autochtone taal. Ik wil hen bijbrengen dat taalproblemen van kinderen met een dialectachtergrond vergelijkbaar kunnen zijn met problemen van allochtone kinderen. Ik wil hen leren dat wij in taal uitdrukking geven aan onze identiteit. Ik wil laten zien hoe mooi de variatie in de Nederlandse taal is. Zoals een divers bos mooier is dan een bos met enkel populieren. Of mooier? In een divers bos leven veel meer vogelsoorten. Dus: rijker.”

Wat motiveert u?

„Ik voel me verantwoordelijk voor de Brabantse dialectbeoefening en het wetenschappelijk onderzoek, de toekomst van de variatielinguïstiek. Dat verantwoordelijkheidsgevoel is een drijfveer.”

Met welke mooie Brabantse spreuk zullen we dit gesprek afsluiten?

„Houdoe en dagge bedankt zet da witte. Dat heb ik wel een miljoen keer gehoord in mijn leven.”

Het klink als een grapje

„Het is heel serieus en betekent: Dag, en dat je bedankt bent, dat weet je.”