Oeroeg is nog steeds actuele leidraad

De novelle Oeroeg, Hella Haasses „statement” over ons koloniale verleden, wordt vanaf vandaag gratis verspreid als boegbeeld van de actie Nederland Leest.

Affandi: zelfportret 1948, te zien op expositie 'Beyond the Dutch'

Door Kester Freriks

„Ben ik voorgoed een vreemde in het land van mijn geboorte.” Dit zijn de befaamde woorden uit Oeroeg van Hella S. Haasse, dat vandaag in een oplage van een miljoen gratis boeken verschijnt als boegbeeld van de actie Nederland Leest. Het is een zin waarin vele Nederlanders die op enige wijze een band hebben met Indonesië zich herkennen. Maar het is ook een gedachte met een bredere strekking.

Nederland telt ruim drie miljoen inwoners met buitenlandse wortels. Ook zij zouden zich een „vreemde” in ons land kunnen voelen. Nederland Leest vroeg schrijver Abdelkader Benali, geboren in Marokko, vanuit deze invalshoek een essay te schrijven over „vriendschap en cultuurverschillen”. Dit essay verschijnt in de speciale handelseditie van Oeroeg,, die naast de gratis editie verschijnt.

Vanochtend werden in de Openbare Bibliotheek van Den Haag de twee nieuwe edities gepresenteerd. In 1948 verscheen Oeroeg als Boekenweekgeschenk in 145.000 exemplaren. Het beleefde sindsdien 47 drukken. Nu bieden de bibliotheken het gratis aan. Opnieuw dus Oeroeg, het verhaal over twee vrienden die door culturele en politieke verschillen gescheiden raken. Maar Oeroeg is vooral een „statement”, zoals Haasse het zelf noemt, over Hollands koloniale verleden. In de tijd dat zij het boek schreef, vonden de Politionele Acties (1945-1949) plaats: de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog. Nederland wilde zijn eeuwenlange overheersing niet opgeven. Dat element heeft Haasse goed aangevoeld. „Jij hoort hier niet thuis”, is een andere befaamde zin; een verwijt van Oeroeg, van Indonesische komaf, aan zijn Hollandse vriend.

De twee cruciale Haasse-zinnen zijn een mooie leidraad bij het bezoek aan de tentoonstelling Beyond the Dutch in het Centraal Museum, ook onderdeel van Nederland Leest. De expositie toont Indonesische beeldende kunst tussen 1900 en nu. Bij de entree van de eerste zaal hangt een zakelijke mededeling die intrigeert: „Bijna één op de tien Nederlanders heeft een biografische of een historische band met Indonesië.” Dat zouden 1,6 miljoen Nederlanders zijn.

Werk uit de koloniale tijd, de vrijheidsstrijd en het huidige Indonesië komen aan bod. In de beginperiode overheerst de „Mooi Indië”-stijl: geromantiseerde landschappen met sawahs, idyllische kampongs, palmbomen en vulkanen die een dromerig heimwee oproepen. Dat is de verzonken wereld waarover de Nederlands-Indische literatuur ook gaat. Opmerkelijk zijn de schitterende, kubistische werken van Ries Mulder, zoals Kerk, Bandung (1958).

In schilderkunstig opzicht zijn de getuigenissen over de strijd tegen de Nederlanders indrukwekkend. In diepdonkere, paarse en gele kleuren schildert Hendra Gunuwan zijn Guerillastrijders (1949). Op de schouder van de vrouw rust een geweer, waaraan de rood-witte Indonesische vlag wappert. Verzet, angst en boosheid overheersen deze periode.

De hedendaagse Indonesische kunst toont soms indringende en vrije variaties op de koloniale tijd van toen. De poëtische serie Groenstroken (2002) van Mirjam Bürer drukt bezorgdheid uit over de monoculturen die de landbouw beheersen. Krisna Murti toont in de video-installatie Wayang-Machine 2001 dat deze door de Nederlanders destijds zeer geliefde kunst ook als satirische performance betekenis heeft. Ga, eenmaal aanbeland in het heden, terug naar die tijd van toen, naar het „Mooi Indië”. Met Oeroeg in gedachten komt de complexe koloniale relatie tussen Nederland en Indonesië scherp en veelzijdig in beeld.