Niemand heeft werk, niemand is gelukkig

Jutta Chorus: Afri: Leven in een migrantenwijk. Contact, 372 blz. € 22,50

Janneke Donkerlo: Saygili & Zn. Lotgevallen van een Turkse familie in Nederland. Atlas, 271 blz. €19,90 euro.

Anderhalf jaar lang fietst schrijver-journalist Jutta Chorus regelmatig vanaf het Centraal Station in Rotterdam de Erasmusbrug over naar Rotterdam-Zuid. ‘Rechts flitsen de elektronische letters van de lichtbak van het nieuwe Luxortheater voorbij. Links achter de glazen metro-uitgang doemt de hoge entree van de nieuwe rechtbank. Daarachter de glazen blokken van de hogeschool. De metro duikt op uit de tunnel onder de Maas en rijdt het licht in.’

Vervolgens neemt ze de eerste afslag rechts, een andere wereld in: de Pretorialaan, de ingang van de Afrikaanderwijk. Hier vestigden zich in de jaren zeventig steeds groter wordende groepen Turken, Marokkanen en Zuid-Europeanen. De meeste huizen in de Pretorialaan, vaak met kapotte deuren, soms met dichtgetimmerde ramen, zijn eigendom van huisjesmelkers. 's Avonds is het er pikdonker. Die sfeer van onveiligheid en armoede kenmerkt ook de rest van de wijk.

Chorus koos bewust voor de oudste migrantenwijk in Nederland, de Afrikaanderwijk in Rotterdam-Zuid, waar in 1972 rellen uitbraken tussen autochtonen en gastarbeiders. In het huidige integratiedebat, schreef ze op 22 september in deze krant, vinden ‘deelnemers zichzelf, hun eigen mening en de kiezersgunst belangrijker[ ] dan een goed begrip van de situatie’. Uit frustratie hierover schreef ze Afri: Leven in een migrantenwijk.

Ze voert drie families op: een Turkse (Soyçiçek), een Marokkaanse (Ghelali) en een Nederlandse (Van Rooijen), van wie de eerste verreweg het vaakst aan het woord komt. Vrouwelijke familieleden als de bij vlagen agressieve Zeynep Soyçiçek laten Chorus zo diep in hun onfortuinlijke leven meekijken dat het er soms op lijkt dat ze elke schaamte voorbij zijn. De jonge en gezette Osman Soyçiçek probeert snackbar Jan & Jan te runnen, maar zijn strafblad keert zich tegen hem. Hij krijgt daarom geen vergunning, maar evenmin kan hij loskomen van zijn criminele vrienden Özhan en Gökhan, die net als hij geen enkele opleiding afmaken. Omdat Osman dealt kan hij bijvoorbeeld zijn tantes Zeynep en Songül regelmatig wat geld toeschuiven zodat deze, ondanks hun karige uitkering, de kinderbijslag kunnen inleggen voor een huis in Turkije. Zo blijft iedereen van iedereen afhankelijk. Niemand van de uitgebreide Soyçiçek-familie heeft werk en niemand is gelukkig.

De Nederlandse familie Van Rooijen vertegenwoordigt een minderheid in de wijk, met 84 procent allochtonen. Moeder Marion is moddervet, schoondochter Anja is MS-patiënt en kleinzoon Mike autistisch. Marion houdt desondanks de vinger aan de pols in de wijk: er wordt niet gediscrimineerd.

Minder goed uit de verf komt de Marokkaanse familie Ghelali. Hun verhalen lopen grotendeels via de geslaagde zoon Mehem. Hij heeft bouwkunde gestudeerd en praat als een Nederlander, zeggen de jongens in de wijk. Mehem heeft ‘foute’ broertjes, een bloedmooi zusje en een kind met een Nederlandse vrouw, met wie hij, uit protest tegen de conservatieve houding van zijn ouders, niet is getrouwd. Sandra komt uit Papendrecht en wil daar niet weg, ook al heeft Mehem in de nieuwbouw op het aangrenzende Katendrecht een huis gekocht.

Na verloop van tijd raakt Chrorus in haar poging om de wijk nauwgezet te beschrijven de focus enigszins kwijt. De personen die ze naast de ontelbare familieleden ook nog eens opvoert (opbouwwerkers, ambtenaren, wijkagenten, politici etc.) buitelen over elkaar heen. Maar dat neemt niet weg dat Chorus een prachtige pen heeft en knap observeert. Dat toont zich met name in het laatste hoofdstuk, de oudejaarsviering. Verongelijkte allochtone jongeren staan op een grimmig en in kruitdampen gehuld Afrikaanderplein tegenover de goedbedoelende wijkagenten Lianna en Edwin. Zij dragen kogelvrije vesten.

Die drang om alles te beschrijven speelt ook publiciste Janneke Donkerlo parten. In Saygili & Zn: Lotgevallen van een Turkse familie in Nederland poogt ze aan de hand van het levensverhaal van pater familias Bennie het verhaal van dé Turkse migranten in beeld te brengen. Bennie heeft als weggemoffelde zoon in het barre Centraal-Turkije geen makkelijk leven gehad. Hij vluchtte op jonge leeftijd naar Istanbul en laat zien dat hij handelsbloed heeft en een doorzetter is. Ook in Nederland, als winkelier en restauranthouder in de Amsterdamse wijken De Pijp en Bos en Lommer, kent zijn leven vele ups en downs. Donkerlo beschrijft ze met liefde, maar ze verliest ook de noodzakelijke distantie. Ze gaat Bennie idealiseren. Zo schrijft ze bijvoorbeeld zonder commentaar dat hij, in de strijd tegen de afpersing van Nederlands-Turkse ondernemers door de Turkse terreurorganisaties Dev Sol en PKK, een wapen aanschaft en zijn twee zoons meeneemt naar de schietschool waar ze zich leren verdedigen. Alsof dit de gewoonste zaak van de wereld is

Het staat buiten kijf dat Bennie Saygili een markante man is, maar hij staat niet model voor de Turkse migrantengemeenschap. Mehmet, Mustafa, Ayse, Zeynep en al die andere Turken die naar Nederland kwamen hebben hun eigen levensverhaal. Dat Donkerlo dat niet beseft, is een ander manco van dit boek.