'Lief als mijn mobiel'

Dit is slechts één van de drie werkkamers van Charlotte Mutsaers. Om de zoveel tijd is ze even weg naar haar tweede huis in Oostende, of naar haar derde in Frankrijk. Zich verplaatsen zit haar nu eenmaal in het bloed. Ze heeft veel gereisd, eerst met de Eend en later maakte ze, samen met haar man, enorme fietstochten, met de hond achterop. De campings raakten echter vol, en het geblèr van kinderen werkte hen op de zenuwen. Vandaar dat ze tenslotte de rust van een buitenhuis hebben opgezocht.

De laptop op haar kamer is een verhaal apart. Het ding is felrood en er prijkt een citroengeel Ferrari-logo op. „Het is een Acer Ferrari. IJzersterk en extra snel. Mooi he? Die heb ik van mijn man gekregen. Ik houd er bijna evenveel van als van mijn mobieltje.” Maar het opvallendste object in de kamer is de make-upinstallatie, een ladekastje op een zijtafel naast het bureau, waarop een spiegel staat en een baaierd van make-upspullen is uitgestrooid. Waarom staat dat ding daar? „Dan kan ik tijdens het schrijven even mijn kop controleren. Kijken of alles er nog goed op staat, of mijn uiterlijk past bij hoe ik me voel. Nee, het maakt niet uit dat niemand mij ziet tijdens het schrijven. De misvatting bestaat dat je je zou opmaken voor een ander. Je doet het net zo goed voor jezelf. De combinatie schrijven en make-up is voor mij ook heel vanzelfsprekend. Het komt allebei neer op stylen. Je geeft het innerlijk uiterlijk vorm.”

Mutsaers is minstens twee uur per dag op straat te vinden – ze noemt zichzelf „een straatrat”. Het hoort bij het werkritme; de hond uitlaten en praatjes maken met mensen uit de buurt. „Als ik met een roman bezig ben en over straat loop is het alsof ik verliefd ben, dan zie je ook overal om je heen dingen die je aan je geliefde doen denken. Noem het betrekkingswaan: ik krijg ideeën van mijn omgeving en die komen soms in een boek terecht. Daarom speelt Koetsier Herfst zich natuurlijk ook af in Oostende en in Amsterdam.”

Naar buiten kijken is essentieel voor Mutsaers, vandaar de brede ramen in haar kamer. „Het geeft rust. Ik heb zo’n dertig jaar op de Nieuwezijds Voorburgwal mijn werkruimte gehad. Dat was een oude schuilkerk op twee hoog, en door het raam kon ik goed op de straat naar beneden kijken. De trams denderden voorbij, maar daar had ik geen last van. Het is niet echt kijken wat ik dan doe, eerder staren, zo zeer ga ik op in mijn werk. Meer nog dan wanneer ik schilder. Je kan als je zit te schilderen nadenken en afstand nemen, en terwijl je de kleuren op je laat inwerken, kan je nog rustig denken: wat ga ik vanavond eten? Dat lukt me niet tijdens het schrijven. En dat is ook het heerlijke ervan, want ik heb nogal veel angsten, op het existentiële vlak. Hoe lang heb ik nog te leven, dat soort dingen. En daarvoor is dan ook geen plaats. Die krijgen gewoon de kans niet om hun kop op te steken.”

Een uitgebreide versie van dit interview staat op nrcboeken.nl/series. Daar zijn ook de werkkamers van andere auteurs te zien, waaronder die van Abdelkader Benali, A.F.Th. van der Heijden, Arthur Japin en Harry Mulisch.