Leren van de piepermannen

Nederland is een klein land, maar het heeft toch enorm veel bodem. Met onverwacht veel schatten, zo blijkt uit een onlangs verschenen boek over de archeologie van Nederland. Ook boven de grond is zo veel te zien, dat er een reisgids van ruim 1300 pagina’s over geschreven kan worden. En Nederland telt zo veel bruggen dat het liefst vijf boekdelen vereist om ze in beeld te brengen.

Evert van Ginkel en Leo Verhart: Onder onze voeten. De archeologie van Nederland. Bert Bakker,334 blz. € 25,-.

Rik Zaal: Heel Nederland. Een gids. De Arbeiderspers, twee delen (2 x 648 blz.) Tot 4 januari € 59,95, daarna € 69,95.

Er ging iets door mij heen, maar ik wist nog niet precies wat, toen ik deze zin las: ‘Op het zuidelijk planken voetpad van Barger-Oosterveld in Drenthe werd bij de opgravingen van 1960 en 1961 een klein ijzeren pennetje gevonden.’ Vraag ik me af wat het was, dan kan ik niet anders dan concluderen dat mijn archeologische zenuw werd geraakt door een opgegraven eeuwenoud planken voetpad. En dan de precisie: Barger-Oosterveld, zuidelijk voetpad. Echte wetenschap. En de ontroering om wat daar eeuwenlang in het veen moet hebben gelegen: een ijzeren pennetje van niet meer dan 4 centimeter lang. Je zou er meer over willen weten, maar dit is voorlopig alles, zo leert de droge mededeling die erop volgt: ‘Hoe of wanneer dat daar terecht is gekomen is niet bekend.’

Hier zien we de essentie van de archeologische tinteling: je vindt iets, en je blijft doorzoeken zolang je nog niet weet wat het is en hoe en wanneer het op de vindplaats beland is. Van deze gedrevenheid hangt de archeologie aan elkaar, zo blijkt op elke bladzijde van het dikke boek Onder onze voeten. Het bijzondere van het ijzeren pennetje is dat het zich bevond in een bodem die met jaarringanalyse heel precies is te dateren: tussen 1350 en 1345 v. Chr., dus 550 jaar voordat in Nederland de IJzertijd begint. Hoe kwam dat ijzeren ding daar dan? Het is, stel ik me voor, zoiets als het vinden van een plastic pingpongballetje in een middeleeuws graf. Het is niet waarschijnlijk dat het pennetje uit Zuid- of Midden-Europa kwam. Het is ook niet waarschijnlijk dat een Drentse smid al op eigen houtje had uitgevonden hoe hij van ijzeroer ijzer moest maken. Is het dan misschien bij toeval ontstaan, bij het uitgloeien en uithameren van een stuk ijzeroer? Men is er nog niet uit.

Ik weet niet wat ik hier nu opwindender aan vind: de vondst of de verklaringen. Het is mogelijk dat het vinden van één zo’n stukje ijzer een heel web aan nieuwe theorieën veroorzaakt – over de productie van ijzer, de uitwisseling tussen stammen in Europa, het begin en het eind van het Bronzen en het IJzeren Tijdperk, en over de bewoning van de Lage Landen. In de archeologie ligt dit soort nieuwe inzichten voortdurend op de loer. Het is dus een veel levendiger wetenschap dan je op grond van al die saaie potscherven en vuistbijlen zou denken. En dan hoeft het niet zo lang te duren voordat je zelf ook gaat rondscharrelen op verlaten akkers, rondom oeroude onduidelijke heuveltjes in het vrije veld of op een vers bouwterrein, met een pieper in je handen. Dat is de ook onder wetenschappers gebruikelijke naam voor de metaaldetector – die bij het detecteren van metaal gaat piepen in de koptelefoon van de pieperdrager. Misschien ga ik dan ook wel weer roken. Lekker het hele weekend met de koptelefoon op, peuk in de mondhoek. En dan, zo stel ik me voor, op zondagavond thuiskomen met een oude schroef en een verroest stuk prikkeldraad, maar af en toe ook wel met een leuke oude bronzen pot met wat Romeinse munten erin en een gouden fibula.

Het had niet veel gescheeld of alleen al het lezen van Onder onze voeten had een pieperman van mij gemaakt. Het is een enthousiasmerend boek en dat is het geloof ik vooral, hoe raar het misschien ook klinkt, door zijn rommelige opzet. Er is wel een grote lijn. Die volgt keurig de chronologie: van de allereerste mens en de allereerste sporen van bewoning via Steen, Brons en IJzer tot de eerste schriftelijke bron, de Romeinen, en zo verder. Maar het verhaal daarover is ondergeschikt gemaakt aan wat er omheen te vertellen is: praktijkgevallen, details, foto’s, plattegronden. Regelmatig gaat je mentale pieper af omdat er iets heel interessants voorbij komt. Dat kan een onverklaarbaar ijzeren pennetje zijn van vier centimeter. Of de foto van de prachtige Peelhelm – ‘topstuk van de Nederlandse archeologie’. Ik zie kleine zilveren Vikingvoorwerpen – waarvan we inmiddels weten dat het vervalsingen zijn. En hé, zie ik daar niet een portret van John de Wolf? Nee, het is een standbeeld van Ambiorix, een Eburoonse koning die Caesar versloeg. En dat daar is niet Gordon, maar een bronzen Romeins ruitermasker. Ik zie een auto die in 1929 door het ijs op het IJsselmeer zakte, en een paar jaar later, bij de inpoldering van de Noordoostpolder weer bloot kwam te liggen – inclusief de gestolen lading.

Zo zijn er telkens verrassingen te vinden. Nederland is een klein land, maar het blijkt toch enorm veel bodem te bezitten – met onverwacht veel schatten erin. Onder onze voeten is een levendig boek voor een breed publiek. En passant vang je ook heel wat vaktermen op, zodat je met een gerust hart eens naar een archeologenborrel kunt, om mee te praten over de wereld van vluchtburchten en terpenlinten, antennedolken, eergetouwscharen en bladspitsen, inhumatie en depositie, situla en krater – en natuurlijk de Federmessercultuur.

Het is ook een wereld die zich gestaag uitbreidt, door nieuwe onderzoekstechnieken. Archeologie is tegenwoordig ook veel CSI, zoals blijkt uit het onderdeel ‘de archeoloog als detective’, waarin het gaat om stuifmeelonderzoek, dendrochronologisch onderzoek, beerputanalyse, isotopenonderzoek en de analyse van verbrande botten. Voeg daar nog bij wat er uit allerlei andere disciplines overgenomen kan worden (over ziektes, klimaat, stammengedrag, DNA) – en je begrijpt dat een minieme vondst veel op kan leveren. Archeologie hangt van schaarste, gaten, onzekerheden aan elkaar. In de poging om die leegte te vullen met zoiets als een zinvol verband lijkt deze zo aardse wetenschap af en toe wel op religie. Het vernuft waarmee iets kleins en anoniems hier van een aannemelijk verhaal wordt voorzien – dat is een vorm van scheppen en leven inblazen, zoals schrijvers doen, of goden.

Drukte

Een heel ander boek is Heel Nederland van Rik Zaal. Het komt niet voort uit schaarste, maar eerder uit een teveel. Niet uit leegte, maar eerder uit drukte. Het buigt zich niet over wat er in de bodem onder onze voeten verborgen zit, maar over wat er daarboven allemaal overduidelijk aanwezig is. Het is een uit de hand gelopen project: Rik Zaal wilde, na zijn succesvolle reisgids voor Spanje, iets vergelijkbaars maken voor Nederland. In de praktijk werden het twee dikke delen. Het had denk ik een lekker persoonlijk leesboek moeten worden, maar dat is niet helemaal gelukt. Het stramien is dat van de gemiddelde reisgids, en dus van de opsomming. Ook Zaal gaat braaf van provincie naar provincie en van stad naar stad en van dorp naar dorp, met aandacht voor landschappen, architectuur, hotels en restaurants, wandelingen en fietstochten, musea en monumenten. Alleen is Zaal wat vertellender dan gemiddeld en wat uitgesprokener in zijn oordelen.

Soms glipt er een wat persoonlijker waarneming tussendoor. ‘In het toegankelijke deel van de Oostvaardersplassen zijn we zelden alleen. Onze medewandelaars, meestal mannen, hebben vrijwel altijd een verrekijker en een fotocamera met een gigantische voorzetlens om de nek hangen.’ Er komen natuurlijk heel wat kerken voorbij, maar bij de beschrijving van de nieuwe machtige Rehobothkerk in Tholen, gebouwd voor de Gereformeerde Gemeente, blijft Zaal even hangen in een religieuze overpeinzing – als hij ziet hoe de kerk ‘met zijn groene, zeer spitse torenspits de hemel lijkt aan te wijzen, waar alle gemeenteleden zo graag willen geraken. Maar hoe goed deze synodale gereformeerden ook in de aloude Statenvertaling van hun bijbel lezen en hoe goed ze zich ook houden aan de oude berijming van de psalmen, dat wil niet zeggen dat ze daardoor meer kans maken op die hemel, zo zegt hun geloof.’

Zo is Zaal op de meeste bladzijden wel even aanwezig, met een eigen adjectief – maar vaak ook niet meer dan dat. Bij Nieuw Vennep: ‘De bruggen zijn wel erg mooi. Het akkerlandschap is in deze omgeving zeer saai.’ We lezen dat het Grand Hotel Opduin op Texel beschikt over ‘het mooiste hotelzwembad dat ik in Nederland ben tegengekomen’, maar wat er zo mooi aan is lezen we niet – en ook is er geen begeleidend essay over wat er dan mis is met die andere hotelzwembaden in Nederland. Op dezelfde manier gebruikt hij woorden als ‘smaak’ en ‘wansmaak’, ‘kitsch’, ‘quasi-chique’, ‘nouveau riche’, ‘deftig’, ‘burgerlijk’, ‘lelijk’, ‘duur’ en ‘goedkoop’. Zulke persoonlijke oordelen zorgen wel voor levendigheid, maar ze zeggen niet veel. ‘Het inderdaad heerlijke eten is er niet goedkoop’.

Wegenkaarten

Zo is het met deze hele reisgids. Voor wie is hij eigenlijk bedoeld? Voor de echte natuurstudie is Zaal niet gedetailleerd genoeg. Wie echt iets wil weten over een stad koopt een stedengids. Ik las de 75 pagina’s over Amsterdam: helder en onderhoudend, maar er stond niets nieuws in. De wegenkaarten van Zaal zijn niet betrouwbaar. Al meteen op het eerste kaartje heeft de ring rond Amsterdam er zomaar een spectaculaire uitbreiding rondom IJburg bij gekregen. En voor wie een provincie of streek wil bezoeken is Zaal ook niet volledig genoeg. Mijn mooi gelegen geboortedorp Haaksbergen doet hij af als ‘een lelijk dorp zonder bezienswaardigheden’.

Heel Nederland is zo, ondanks zijn indrukwekkende omvang, een te algemeen en te oppervlakkig boek. Zaal is geen groot stilist. Veel alinea’s zijn gevuld met inwisselbaar reisgidsproza, van het type ‘en dan staat daar (...) een 35 meter hoge en 102 meter lange kolos’, even later gevolgd door ‘en dan is daar het Leidseplein met het belendende Kleine-Gartmanplantsoen en het Max Eeuweplein’. Je moet bij het lezen oppassen niet in een Ontdek-je-Plekje-deun te gaan declameren, met de intonatie van Gert-Jan Dröge: ‘Voor een haring, een portie kibbeling of een broodje makreel is aan de overkant Het Vispleintje aan te raden. In deze nederige maar gezellige snackbar is bij de vis ook een biertje te koop.’

Zaal is, zoals iedereen, veel beter op dreef als hij eens wat langer stil blijft staan – bij een vreemd landschap, een merkwaardig gebouw of een curieuze geschiedenis. Dat hadden we al van de archeologen kunnen leren. Sta maar eens stil en ga maar eens kijken wat er zich onder onze voeten bevindt. Dan graaf je soms zomaar een heel zeldzaam pennetje op.