Je advocaat bellen is niet zonder risico's

De politie tapt de vertrouwelijke telefoontjes tussen verdachte en advocaat.

De officier die ook vervolgt, beslist of de taps vernietigd moeten worden. Dat wringt.

Advocaat John Crepin neemt nooit meer zonder argwaan de telefoon op. Als advocaat moet hij vrijelijk met zijn cliënten kunnen bellen, dat hoort zo in een rechtsstaat. Maar Crepin vraagt zich altijd af of iemand meeluistert.

Zijn wantrouwen dateert van 22 juni 2005. Op die zomerse woensdag spreekt hij telefonisch af met zijn cliënt Ranjit S. Hij zou zich om half twee melden. Maar in plaats van Ranjit komt zijn vriendin. Ze vertelt huilend hoe haar vriend is gearresteerd om de hoek bij Crepins kantoor.

Toeval? Crepin weet het niet. Als hij drie dagen later het dossier van zijn cliënt onder ogen krijgt, groeit zijn twijfel. Ranjits telefoon is afgeluisterd, zo blijkt. Maar in de stukken ontbreken alle gesprekken van die bewuste dag. „Ik heb meteen verzocht om inzage in alle afgeluisterde telefoongesprekken”, vertelt Crepin.

Drie weken later is de schok groot als Crepin het telefoongesprek in het dossier terugvindt, waarin Ranjit een korte bekentenis aflegt. Crepin is nog boos: justitie en politie hebben een kernelement van het Nederlandse rechtstelsel geschonden: het vrije contact tussen advocaat en cliënt. „Dit soort gesprekken moet worden vernietigd, dat staat in de wet.”

Dat dit nogal eens mis gaat, kwam eind 2007 aan het licht tijdens een grote strafzaak tegen de Hells Angels. Het Openbaar Ministerie moest de vervolging van leden van de motorbende staken omdat geheimhoudersgesprekken niet waren vernietigd.

Terug naar 2005. Als Crepin ziet wat er in de zaak van Ranjit fout is gegaan, schakelt hij meteen een tweede advocaat in. „Ik vond dat ik te emotioneel betrokken was. Ik was immers ook afgeluisterd. En daarom heb ik aan mijn collega Frank van Ardenne gevraagd om me bij te staan.”

Van Ardenne had ervaring. Hij was betrokken bij twee veelbesproken zaken waarbij gesprekken tussen advocaten en verdachten niet werden vernietigd: een heroïnezaak in Almelo uit 2001 en de Haagse gasexplosiezaak uit 2003. Het probleem met afgeluisterde geheimhoudersgesprekken speelt sinds 2000, zegt Van Ardenne. „Dat heeft te maken met de invoering van de Wet op de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Daardoor verschoven taken en bevoegdheden van de rechter-commissaris naar de officier van justitie. Het beoordelen en vernietigen van geheimhoudersgesprekken was een van die taken.”

Net als bij het Hells Angelsproces leidde de heroïnezaak in Almelo indertijd tot grote commotie. De tapkamers van de politie werden gecentraliseerd en er kwam een digitaal systeem voor het afluisteren van telefoons. Bovendien stelde het OM een nieuw protocol in voor het vernietigen van geheimhoudersgesprekken.

Voor de Orde van Advocaten en de Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) was dat niet genoeg. „Ook in dat nieuwe protocol bleef de officier van justitie belast met het beoordelen van getapte telefoongesprekken tussen advocaten en hun cliënten”, zegt Taru Spronken, hoogleraar strafrecht. Spronken voert namens de NVSA een procedure tegen de Staat. In eerste instantie besliste de rechtbank dat de zaaksofficier en de betrokken politieagenten deze beoordeling niet mogen maken.

Zowel de staat als de NVSA ging in hoger beroep, dat nog steeds loopt. Spronken: „We hebben de positie van de officier van justitie altijd een probleem gevonden. De persoon die verantwoordelijk is voor de vervolging, neemt kennis van informatie waarvan in de wet nu juist is geregeld dat die vertrouwelijk is. Dat wringt.”

John Crepin merkt dat in 2005 aan den lijve. „Wat opviel is dat zowel de betrokken politieagenten als de zaaksofficier zich van geen kwaad bewust waren”, vertelt Crepin. „De officier van justitie heeft mijn verzoek om dat gesprek te laten vernietigen genegeerd. Dat moest de rechter maar bepalen, liet zij mij weten.”

In de procedure die volgt krijgt Crepin van de rechtbank in Rotterdam en het hof in Den Haag gelijk: het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechters is er door het gebruik van informatie uit een geheimhoudersgesprek sprake van een ernstige schending van de belangen van Ranjit S. Maar de Hoge Raad oordeelt anders. Weliswaar vindt het hoogste rechtscollege de aanhouding van S. onrechtmatig. „Maar die fout betekent nog niet dat het OM daarmee het recht op vervolging heeft verspeeld”, vertelt Willem van Schendel, persraadsheer bij de Hoge Raad.

Een rechtbank moet de zaak nu opnieuw beoordelen. Crepin is blij dat de Hoge Raad het gebruik van het gesprek met zijn cliënt afkeurt. Dat het OM zijn cliënt opnieuw mag vervolgen, vindt hij wrang. „We zijn in die vier jaar niets opgeschoten.”