Hoe verdriet eruitziet

Bij het zien van de film weet je meteen dat ze het niet gaan redden. De man die denkt de vrouw in haar verdriet te kunnen helpen, verdient straf. En die krijgt hij.

Starik is goed met de dood, zeggen ze. Maar zijn zoon is niet dood uit het raam gevallen, op driejarige leeftijd. Terwijl hij lag te neuken met zijn vrouw en terwijl zijn zoon dat zag. Viel hij? Is hij gesprongen? Wiens schuld is dat? Er is verdriet, groter dan verdriet. Ouders die hun kind verliezen. Er is pijn, erger dan pijn. Ik heb dit jaar in het echt gezien wat er gebeurt als ouders een volwassen dochter verliezen. Een volwassen zoon. Er is wanhoop, dieper dan wanhoop. En nu heb ik die verschrikkelijke waarheid in de bioscoop gezien, nee niet gezien, meegemaakt. Wat is de verschrikkelijke waarheid?

Neuken, op zich, is het niet. Ik weet natuurlijk niet of u dat wel eens gedaan heeft, neuken, maar het kan op zoveel manieren, met zoveel tegenstrijdige gevoelens. Het kan geroutineerd, met oude vriendinnen, voor de gezelligheid, uit eenzaamheid. Het kan hartstochtelijk met nieuwe liefdes, waar al een randje gevaar aan kleeft, vooral wanneer dat ‘buiten de deur’ gebeurt. Het kan hard huilend, extatisch, de grenzen van de pijn opzoekend, eindelijk de grote verwachting der liefde inlossend, met snot en tranen. Wanhopig, droog, ten afscheid, nog één keer, al te laat. En ongeïnteresseerd, alsof je in een pornofilm figureert, omdat zomaar iemand je wil. Stijf van de coke. Met meisjes aan wie je eigenlijk al een hekel had, op het moment dat het gebeurde.

Neuken is belangrijk. En gevaarlijk. En gewoon. Over dat gewone aspect gaat het hier niet. Wij willen het gevaar onder ogen zien. Meestal komt het gevaar van buiten: de ene wil de ander, maar die ander wil die ene niet. De ander wil een ander. En die ene heeft verdriet. Hier komt het gevaar van binnenuit.

Razernij. Het verhaal vouwt zich als een beklemmende handschoen om je keel. Het principe is heel eenvoudig. Neem het ergste wat een mens kan gebeuren. Sleep er wat symbolen bij, roer de ingrediënten van een nachtmerrie waaruit je niet meer zult ontwaken door een fors blik dreigende muziek. Stel de climax, de onafwendbaar naderende orgie van geweld, zo lang mogelijk uit. Schilder dat alles in vervreemdende kleuren, laat het beeld gerust maar wat golven, alsof je een trip hebt geslikt. Houd het duister. Voorzie ruimhartig in pijnlijke stiltes tijdens moeizame conversaties. Maak het onontkoombaar. De horror. Spannend is het niet: je weet meteen dat het niet goed gaat aflopen. Het is alleen maar verschrikkelijk. Het enige wat je hoeft te doen is je te laten meeslepen, als je durft. Traag en onverbiddelijk.

Zoals je je kunt laten meeslepen door de razernij van een nieuwe liefde. Of, zoals hier gebeurt, overweldigd worden door wanhoop, door pijn, door verdriet, de drie beeldjes die de evenzovele hoofdstukken vormen in de tragische en onvermijdelijke geschiedenis die Von Trier ons opdient.

Een man en een vrouw bedrijven de liefde in de badkamer, onder de douche. Intens. Waterdruppels, flonkerend als sterren, diamanten, in slow motion. Een glas met een tandenborstel erin valt tergend langzaam stuk. De wasmachine draait moeizaam. Witte, onschuldige was. Ze worden gezien, de man en de vrouw.

De scène verplaatst zich naar hun slaapkamer. De driejarige staat rechtop in zijn bedje. Hij maakt zijn hekje los. Hij klimt eruit. De drie beeldjes verdriet, pijn en wanhoop, die drie bedelaars, vallen van hun tafeltje bij het raam. Het zoontje is op de tafel geklommen. Hij staat voor het geopende raam. Je weet al dat hij gaat vallen. Het begint te sneeuwen, bedaarde, heldere vlokken, weer als vallende sterren, flonkerend. Daar gaat hij, de kleine, zijn knuffel valt nog lomer achter hem aan. Verpletterend, letterlijk. Schuld.

Bij de uitvaart loopt de man drie passen voor de vrouw uit. Hij huilt. Hard. De vrouw is niet in staat om te huilen. Dit maakt de man gezonder dan de vrouw. Hij komt er wel weer bovenop. Voor de vrouw is haar verdriet een ziekte.

De vrouw ligt in een ziekenhuisbed. Ze praat moeizaam, met een droge mond. Woorden lijken hun betekenis verloren te hebben. Hun zin. Ze is gedrogeerd. ‘Medicijnen’ noemen ze dat. De man zegt dat je verdriet niet kunt genezen door het te verdoven. De vrouw zegt dat hij geen dokter is, nee, hij is een psychotherapeut. Hij praat. O, hij is zo slim en arrogant. Ja, weet hij, je kunt van je verdriet, je angst, je pijn genezen, niet door het te verdoven, maar door het te ondergaan, door het onder ogen te zien, door het tegemoet te treden, te bevechten, door het telkens opnieuw te beleven. Angst.

Je weet meteen dat ze het niet gaan redden. En het ergste is: Von Trier heeft gelijk. Deze man en vrouw gaan elkaar niet genezen. Ze zullen ten onder gaan. Dat moet. Wat er gebeurde, valt niet te repareren. De man wil dat toch proberen. Hij verdient straf. Hij moet gestraft voor zijn wezenloze optimisme, zijn rationaliteit, zijn macht over de situatie. Hij moet mee de diepte in van haar hartverscheurende verdriet. Zij heeft gelijk.

Ik heb dit jaar meegemaakt dat je een mens die rouwt, die rauw rouwt, niet kunt helpen, niet kunt genezen. Die mens is wezenlijk onbereikbaar. Die laat je met rust, geloof ik. Ik weet nu dat ik daar goed aan deed. Ik kon haar niet bereiken. Ik stond haar machteloos terzijde. Jazeker, we deden het, af en toe, oppervlakkig, mechanisch uitgevoerd, omdat dat nu eenmaal bij een relatie hoort. Omdat een man zijn kwakje kwijt moet. Haar rouw doofde haar verlangen. Ik kon haar therapeut niet zijn, dat moest de tijd maar doen. Ik kon haar niet genezen. Ik legde me daar bij neer. Respect, geloof ik.

Seks is geen geneeskunst. Een therapeut mag geen seks hebben met zijn patiënt, dat weet iedereen, hoe diep patiënt en therapeut daar allebei naar zullen verlangen. Dat verlangen hoort er bij. Je klampt je vast. Onontkoombaar. Het is afschuwelijk om nog seks te hebben, wanneer de laatste keer dat jullie het met elkaar deden…Wat eens leven bracht, zou datzelfde leven vernietigen. ‘Dit is een vergissing’, weet hij, ‘dit had ik niet mogen laten gebeuren.’ Maar hij laat het gebeuren. Hij denkt dat hij het aan kan. Hij denkt dat hij haar aan kan. O, hij is zo slim en arrogant. Hij is de Antichrist, de valse profeet die alle problemen van de wereld zal oplossen.

Hij. ‘Waar ben je het bangst voor?’ Zij. ‘Eden.’ Hun zomerhuis, hun Hof van Eden, daar waar ze vorig jaar nog aan haar proefschrift over het vrouwbeeld in de Middeleeuwen werkte, waar ze het kwaad uiteindelijk in de vrouw zelf lokaliseerde, waar ze op zolder plaatjes verzamelde, van heksen, behekste vrouwen, zoals ze er nu zelf een is. Zij is de Antichrist, die haar beestachtigheid aan de man zal openbaren.

Rouwen is een eenzame bezigheid. Je kunt het niet samen doen. De man en de vrouw liggen wakker, ’s nachts. Zwijgen machteloos. Luisteren naar het onregelmatig geroffel van vallende eikels op het golfplaten dak van hun verblijf. Een eikenboom blijft honderden jaren staan. Het is genoeg als daar, over een paar honderd jaar dus, één enkel exemplaar voor in de plaats komt te staan. De boom kan in zijn lange leven heel goed met een enkele eikel toe.

Toch werpt die boom jaar na jaar duizenden en duizenden eikels af, die dus nooit een boom zullen worden: de boom stuurt haar vruchten rechtstreeks een massagraf in. Hoor ze vallen. Tik. Tik. Tik. ‘Satan’, zal ze zeggen: ‘Satan is de natuur.’ De natuur is Satan.

De verschrikkelijke waarheid van Antichrist is dat er verdriet is, dieper dan verdriet, waarvan je niet kunt genezen. Er is een gruwelijk plot bedacht, grotesk, in dezelfde beweging volkomen logisch. We hebben het zien aankomen. Vanaf het eerste moment wisten we: dit gaat niet goed. Dit gaat helemaal mis. Lars von Trier heeft met Antichrist een film voorbij film gemaakt. Een absoluut meesterstuk.

Frank Starik is schrijver en beeldend kunstenaar. Dit jaar verscheen van hem de roman ‘De Gastspeler’ bij Nieuw Amsterdam Uitgevers.