Het leven met taal omspannen

Nachoem Wijnberg schrijft poëzie voor eenieder die bereid is het brein te laten kraken. In zijn nieuwe bundel verhoudt hij zich tot Mirza Ghalib, een beroemde Perzische dichter.

Nachoem Wijnberg: Divan van Ghalib. Contact, 162 pagina’s. € 24,99

Wie leescomfort zoekt, moet niet bij Nachoem Wijnberg zijn. Deze strenge dichter vertelt geen anekdotes, werkt niet op het sentiment, verleidt het oor niet met klank of rijm. Wat hij wel verleidt is het brein. Dat wordt overweldigd door raadselachtige zinnen die hier de pagina’s tot de rand vullen. Ze beginnen vaak in het concrete. ‘Heb je het laatste nieuws al gehoord?’ wordt er bijvoorbeeld gevraagd. Of er staat: ‘Er is genoeg water in de buurt van mijn huis’. Zodra de lezer de tekst binnen is, en zich fijn wil nestelen in herkenning, wordt de boel op losse schroeven gezet. Alles in het leven blijkt ineens te onderzoeken, van de regels van verstoppertje tot het kopen van een fles wijn.

Dat onderzoeken doet Wijnberg al twintig jaar, in wisselende vormen weliswaar, maar de essentie blijft hetzelfde: spannende zinnen die iets lijken te omcirkelen zonder het te benoemen. Hij heeft er inmiddels de status van onbegrepen meester mee gekregen, bekroond (VSB-prijs) en geprezen, zonder dat veel mensen zich durven uit te laten over wat deze poëzie zou kunnen betekenen.

Zijn gedichten zijn inderdaad overstelpend, maar niet omdat de lezer het bos in wordt gestuurd met een postmoderne chaos. Integendeel: systematisch als een wetenschapper wil hij het leven zelf onderzoeken in zijn poëzie. Gedichten zijn, zo verklaarde de dichter in een interview met Daniël Rovers, ‘betekenismachines’.

Zo komen allerlei vormen van gedrag en gevoel aan de orde. Soms direct, als de beschrijving van wetten of etiquettes: ‘Als ik op bezoek ga blijf ik stil op straat wachten, totdat iemand komt en vraagt of ik naar binnen wil’. Vaker indirect, en geestig zoals hier: ‘Ik ben te oud om in een optocht te lopen, zelfs als we met ons tweeën zijn/ een is het begin en een het einde, ik sta telkens stil’. Maar in verreweg de meeste gedichten weet je niet waar het over gaat, alleen dat er ergens in de elastische zinnen betekenis verscholen zit: ‘Bang om te beginnen aan wat ik niet kan zonder veel hulp, omdat ik het niet goed kan en snel opgeef/ het begon en hield op, net toen ik wilde dat het door zou gaan totdat ik genoeg zou hebben aan het begin’.

Wonderschoon, maar meer dan louter esthetisch taalspel. De betekenis ligt ergens waar we haar niet kunnen parafraseren, maar wel voelen. Het verband tussen de zinnen is niet per se logisch, ze hangen als los zand aan elkaar. De zinnen hernemen steeds iets van wat er eerder is gezegd, maar dragen dat een andere richting uit, of zeggen het tegenovergestelde. Zo wordt het leven met woorden omspannen tot er daarbinnen iets ontstaat dat op waarheid gaat lijken.

Dat lijkt abstract, maar gelukkig worden de gedichten van Wijnberg bevolkt door mensen en hun gevoelens. Eerder al ging het over auteurs als Proust of Roemi, in deze elfde bundel gaat Wijnberg uit van Mirza Ghalib, een beroemde Perzische en Urdu-dichter uit de 19de eeuw. Sterker nog, deze Ghalib is veelal de ‘ik’ die aan het woord is. Hij spreekt zichzelf als dichter dan aan in de laatste regel, zoals gebruikelijk in de poëzie die hij schreef: ‘Wat ben je aan het doen, Ghalib, behalve weer vertellen hoe het hier is,/ alsof iemand in het donker dat wil horen’.

We volgen Ghalibs wat dandyeske levensloop: van een verzonnen privéleraar om zijn status te verhogen, tot het geldgebrek, de schulden en de vrouwen, het contact met de Britse overheersers en hun koningin, tot aan zijn dood. Toch kunnen niet alleen lezers met een biografie van Ghalib in de hand deze poëzie lezen, net zomin als bij Wijnbergs eerdere, al even geleerde bundels de kennis van Chinese of Japanse dichters noodzakelijk was. De verwijzingen zijn niet bedoeld om de lezer af te schrikken of op te voeden. Het gaat om recht doen aan belangrijke voorgangers, legde de dichter in het eerder genoemde interview uit, commentaar leveren op hun werk. Ook dat helpt om de wereld ‘beter te begrijpen’, omdat je ‘per slot van rekening de hele tijd moet beslissen hoe je je moet gedragen in die wereld’.

Want of het nu in de gedaante van Ghalib is of een ander, hier spreekt een ‘ik’ wiens ervaringen zodanig geabstraheerd zijn dat ze universeel worden: ‘waarom hij alleen is,/ omdat niemand hem wil zien zoals hij is, uit angst het niet te kunnen vergeten’. Veel vaste grond onder de voeten heeft de ik niet: ‘Ik loop door de woestijn omdat ik toch ergens heen moet’. Het is de mythische en bijbelse Sinai-woestijn, die verrassend concreet wordt: ‘De woestijn is zo smal, er is nauwelijks plaats om langs elkaar heen te lopen, / voor mij en een ander die ook niet kan krijgen waar hij naar verlangt’. Er is zelfs ruimte voor flauwe grappen over de uittocht van de Joden: ‘Weet je wie voor de deur staat, een van de joden die in haast uit Egypte weggingen,/ dat komt ervan als je alles zo snel mogelijk wilt doen en je bent niet erg snel’.

Het helpt om de humor van dergelijke regels te kunnen waarderen: de grapjes geven lucht in een verder doodserieus project – het leven zelf op papier krijgen in al zijn onbegrijpelijkheid. Daartoe schrijft Wijnberg gedichten die soms laconiek zijn (‘ik weet altijd genoeg redenen om bij mij weg te gaan, kan er moeilijk boos om zijn’), vaak eenzaam (‘Het is te moeilijk om mijn weg van plaats naar plaats te vinden en te kijken of ik kan zien wat ik probeer te vinden,/ misschien kan iemand anders mij van plaats naar plaats brengen?’). En een enkele keer krijgen we een adempauze met regelrechte moppen, bijvoorbeeld wanneer Ghalib (die nogal een groot ego schijnt hebben gehad) een wedstrijd aangaat met God, en dan pruilt: ‘maar hij is ook begonnen toen ik er nog niet was’. Wie Wijnbergs poezie zo leest, kan er zelfs wel even bij gaan zitten – zij het op het puntje van zijn stoel.