Het leven in een woelige, lawaaierige, stinkende stad

Gabri van Tussenbroek: Amsterdam in 1597. Kroniek van een cruciaal jaar. L.J. Veen,360 blz. € 24,90

Cornelis Claesz, een uit Leuven afkomstige ondernemer, dreef van 1578 tot zijn dood in 1609 een uitgeverij, boekwinkel, drukkerij en winkel in schrijfbehoeften aan het Damrak te Amsterdam. Op zijn fondslijsten prijkte een bonte variëteit van uitgaven, van kaarten, atlassen, globes en reisbeschrijvingen tot bijbels, psalmboeken, medicijnboekjes, almanakken, schoolboeken, pamfletten, nieuwsbrieven en losse prenten. Je zou deze belangrijkste uitgever van de stad een vroegmoderne mediamagnaat kunnen noemen.

Voor zijn boek 1597 heeft de bouwhistoricus Gabri van Tussenbroek Claesz genomen als hoofdpersoon om één jaar te beschrijven uit het leven van het expanderende, overmoedige, woelige, lawaaierige, stinkende, uit haar voegen barstende Amsterdam.

Wel vaker is een jaar gekozen om een stad compact en dicht op de huid te beschrijven. James Shapiro deed dat bijvoorbeeld in 1599, A year in the life of William Shakespeare over Londen. Shapiro ordende zijn boek volgens de vier seizoenen, Van Tussenbroek behandelt het leven in Amsterdam per maand en distribueert de uiteenlopende thema’s zorgvuldig over die maanden. Zo komt de lezer zeer veel te weten over het leven van deze booming city met zijn 60.000 inwoners. In de eerste plaats lezen we veel over de materiële infrastructuur. Over de straten, de grachten, de huizen en de strijd tegen de steeds verzakkende bodem. Veel over de economische activiteiten: de haven, de markten, de beurs en de ambachtsgilden; behoorlijk wat over de overheidsinstanties zoals het stadsbestuur, het rechtssysteem, de schutterij en de fiscale wetten. Het dagelijks leven binnenshuis en ook de cultuur, huisinrichting, het literaire en kunstzinnige leven komen iets minder goed aan bod.

Puttend uit een grote hoeveelheid literatuur, zowel beschrijvingen uit de tijd zelf als uit latere studies, aangevuld met archeologische vondsten, biedt Van Tussenbroek een karrevracht aan informatie over de Amsterdammers.

Te midden van deze rusteloze stedelijke bezigheden duikt af en toe Cornelis Claesz op. Toch is dit geen biografie. Claesz functioneert een beetje als een rode draad. Door zijn ogen zien we de seizoenen veranderen, via zijn oren komen we het laatste nieuws te weten en dankzij zijn kennissen en familieleden lezen we iets over de persoonlijke, dagelijkse beslommeringen.

De alerte Claesz had een uitstekende neus voor commercieel nieuws. Hij zag onmiddellijk in of een teruggekeerde vloot materiaal mee terugbracht voor een potentiële bestseller. Dat was het geval toen de eerste schepen terugkwamen die uit Nederland naar Indië waren gevaren. Bij een andere terugkeer had hij nog meer succes. In september keerde de overlevenden van de overwintering op Nova Zembla terug van hun onfortuinlijk en ijzingwekkend avontuur. Claesz publiceerde het verslag van een der overlevenden, Gerrit de Veer. Diens Waerachtighe Beschryvinghe werd een reuzensucces, eindeloos herdrukt en vertaald in het Frans, Engels, Italiaans, Duits en Latijn, een onverwoestbare evergreen van de vaderlandse geschiedenis.

De overvloedige historische informatie in 1597 is hier en daar wat opsommerig gebracht, maar als eerste serieuze kennismaking met Amsterdam in een dynamische periode aan de vooravond van de Gouden Eeuw is het boek zeker geslaagd.