Geweld is normaal geworden in Zuid-Iraakse stad Basra

Vóór Saddam Hussein was Basra een open stad. Maar geleidelijk is zij verkommerd, met de jaren 2006 en 2007 als dieptepunt. Nu begint Basra op te krabbelen

De grote Zuid-Iraakse oliestad Basra beleefde een gouden tijd in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Er waren bioscopen en nachtclubs, mensen van verschillende religies en sekten leefden er zonder grote problemen samen. Maar met het presidentschap van Saddam Hussein in 1979 en het begin van de oorlog tegen Iran het jaar daarop begon de sfeer te veranderen, zegt Juliana Dawood Yousif al-Bazi. De stad aan de grensrivier de Shatt al-Arab kwam onder Iraans artillerievuur, de economische situatie verslechterde, inwoners trokken weg.

Na het dieptepunt in 2006 en 2007, toen shi’itische milities de stad in hun greep hadden, gaat het weer wat beter in Basra (vijf miljoen inwoners). Sinds het leger in 2008 met steun van Amerikaanse troepen en in aanwezigheid van premier Nouri al-Maliki de milities ondergronds dreef, durven mensen weer de straat op te gaan. Pas ging een bioscoop open. „We hebben wat meer lucht. Maar we hebben nog geen gevoel van vrijheid, niet in vergelijking met de tijd vóór Saddam Hussein. Toen was het een multireligieuze stad – nu is het de stad van één sekte, de shi’ieten, en aanzienlijk conservatiever dan toen. Er zijn nog duizend christenen. De hele middenklasse is verdwenen. In twee generaties heeft Basra zijn glamour verloren.”

Al-Bazi, zelf christen, en Fatima Kadhim al-Behadili, moslim, strak gehoofddoekt, vrouwen- en burgerrechtenactivisten uit Basra, waren vorige week in Den Haag voor een seminar van IKV Pax Christi, ‘Human Security from Below’. In vraaggesprekken vertelden ze over de nog zeer onzekere situatie in hun stad.

Toen de milities, met name die van de populistische geestelijke Muqtada Sadr, in Basra heersten, zochten burgers ieder hun eigen manier om te overleven. „We moesten ervoor zorgen dat we de extremisten niet in de weg liepen”, zegt Al-Behadili. „De milities claimden de vrouw te beschermen en doodden hen in naam van de zedelijkheid. Op de muren stonden leuzen gekalkt tegen vrouwen zonder hoofddoek. Je kreeg te verstaan dat Zahra [jongste dochter van de profeet Mohammed en vrouw van Ali, grondlegger van de shi’itische islam] het niet prettig vond om mannen te ontmoeten en dat jij dat voorbeeld moest volgen. Christelijke vrouwen kregen te horen dat de maagd Maria ook haar hoofd bedekte. Zelfs met hoofddoek op waren vrouwen niet veilig. Je was geen moslim als je je bezighield met onderwijs voor vrouwen.”

Al-Bazi: „Mensen van alle godsdiensten werden vermoord. Mensen in hoge posities en kappers – uit alle sociale milieus. Omdat ze aanhangers waren van het vorige regime of de verkeerde godsdienst hadden. Een onvoldoende voor een examen was voor sommige studenten een vergunning om hun docent te vermoorden.”

„Je kon niet naar de politie omdat die corrupt was en door de milities was geïnfiltreerd. Het scheen dat er een regering was, maar die was niet actief. Ze wist wie deel uitmaakte van de milities, maar durfde hen niet aan te pakken. Je ging dus nooit alleen over straat, maar in groepen. In wijken die door een sektarische groep werden gedomineerd, zorgde je ervoor dat je je liet vergezellen door vrouwen uit die gemeenschap. Het is een tribale maatschappij en iedereen zocht steun en bescherming bij zijn eigen stam. Voor ons christenen trad de bisschop op als een soort tribale leider, naar wie je toe kon voor advies. Voor gewapende verdediging gingen christenen naar de Tamimi-stam: je betaalde hen voor bescherming.”

Ook al is de veiligheid door Maliki’s offensief verbeterd, de toestand blijft heel precair. Het geweld is zo diepgeworteld, aldus Al-Behadili, dat er veel tijd nodig zal zijn om er weer vanaf te komen. „Het geweld is normaal geworden; we realiseren het ons haast niet meer hoe gewelddadig het nog is.” Iedereen heeft wapens. „Met de Eid al-Fitr, aan het eind van de vastenmaand ramadan, zag ik kinderen met wapens spelen. Kinderen verdelen zich in groepen en spelen het verzet tegen Amerika, of shi’iet tegen sunniet. Als je hun vraagt: ‘waarom?’ zeggen ze: zo doen onze ouders ook.”

Na het offensief in 2008 gaf Maliki de bevolking opdracht de wapens in te leveren, maar zonder succes. „Een student van me ging overhaast naar huis om zijn vier kalasjnikovs te verstoppen”, herinnert Al-Bazi zich. Ze doceerde Engels aan de universiteit van Basra. „De stammen beschikken zelfs over artillerie en daarmee vormen ze een bedreiging voor het leger.”

Onzekerheid is er ook omdat de milities wel een zware slag hebben gekregen, maar niet zijn verdwenen. Tijdens de provinciale verkiezingen van begin dit jaar veroverden aanhangers van Sadr zetels in de provincieraad.

Volgens Al-Behadili houdt het grote buurland Iran greep op de situatie door niet alleen de sadristen maar alle sh’itische partijen te steunen, inclusief premier Maliki’s Dawa-partij. „De Iraniërs zijn als shi’ieten in ons geïnteresseerd en ze hebben belangstelling voor de olie. En het is in hun belang dat het hier instabiel blijft.” Iran wil immers voorkomen dat Irak ooit weer een bedreiging wordt, zoals onder Saddam Hussein.