Gevallen mannen

Het was de week van de gevallen mannen. Zelden waren er in korte tijd zoveel gevallen van gevallen mannen – of was het u nog niet opgevallen? Dat zou me tegenvallen, al zal ik er verder niet over vallen.

Excuses, het kost me mij te veel moeite me van dat ‘vallen’ los te maken. Is het een wonder? Waar je ook keek, overal was wel ergens een prominente man aan een opzienbarende valpartij bezig. Het leek wel kamikaze en het gebeurde in een oogwenk. Eerst stonden ze nog op de hoogste verdieping, minzaam neerkijkend op hun voetvolk, en vervolgens stortten ze zich naar beneden zonder op het vangnet van de brandweer te wachten.

Nee, het was niet doenlijk ze nog op te lappen. Slechts met de nodige moeite konden ze geïdentificeerd worden, mede dankzij de goede staat van hun gebitten (ze moeten voortreffelijke tandartsen gehad hebben). Hun namen zal ik piëteitshalve niet noemen, de nabestaanden hebben het al moeilijk genoeg.

De een, de bekendste, was bankdirecteur.

Hij leek de domste van de gevallen mannen, maar hij was de sluwste. En de ergste. Hij dupeerde duizenden mensen, maar hij wist de indruk te wekken dat hij het ook niet kon helpen. Hij was niet uit het raam gesprongen, maar geduwd, juist toen hij op het punt had gestaan het voor zijn mensen op te nemen.

Hij was dus eigenlijk een held, een tragische held, kapotgemaakt door de duistere machten van het grootkapitaal die samenzwoeren met ‘de politiek’. Hij had nu alleen nog een hutje op de Drentse hei, maar hij zou op magisch-realistische wijze uit zijn as herrijzen, ze hoorden nog van hem.

De tweede was korpschef van de Amsterdamse politie.

Ook hij voelde zich zwaar miskend. Hij had een burgemeester boven zich die hem voortdurend de mond snoerde, en een minister die nooit naar hem wilde luisteren. Zo was hij een tamelijk zielig ventje geworden in een uniform dat hem te ruim zat. Hij had dolgraag de problemen van onze verwarde samenleving „op de agenda gezet”, maar ze hadden hem niet de kans gegeven. Daarom ging Amsterdam nu ten onder, en daarna heel Nederland. Maar eerst Warmond, waar hij ook nog ruzie had met zijn buren over een parkeerplaats.

Wat hem nog zieliger maakte, was dat hij achteraf altijd spijt kreeg van zijn woorden. Hij had het wel zo gezegd, maar anders bedoeld. Ooit waarschuwde hij voor ‘Parijse toestanden’ in Slotervaart. Misschien bedoelde hij toen wel dat er in Parijs Slotervaartse toestanden dreigden. Gelukkig was hij nu zo diep gevallen dat er nooit meer naar hem geluisterd hoefde te worden.

De derde was burgemeester van Tilburg.

Hij is een geval apart. Ook hij is gevallen, maar hij kon het eerst niet geloven. Hij deed alsof hij nog fier overeind stond en zijn val gezichtsbedrog was. Er was in Tilburg een aardbeving geweest en hij was de enige overlevende. Zoiets. Als het moest zou hij de stad in z’n eentje met zijn bestuurstalent redden. Dan hoefde hij ook nooit meer iemand ergens over in te lichten. In werkelijkheid was hij een soort Melkert, een wereldvreemde autoriteit, geveld door een proleet van de nieuwe politieke orde, een lekkende ijshockeyer.

O Nederland, bestaat het gevaar dat U ook zelf gaat vallen? Dat al die megalomane ego’s U meesleuren in hun val?